recensie P. F. Maas en J. M. M. J. Clerx (red.): Parlementaire Geschiedenis van Nederland, deel III; het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951); Band C, koude oorlog, dekolonisatie en integratie; Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, Nijmegen; 937 blz. - ¿ 85.
Een paar weken later, op 9 januari 1995, constateert Kamervoorzitter Deetman dat er grote behoefte is aan een politiek debat; niet zozeer over de persoon van Princen, alswel over het koloniale verleden. Enkele dagen later geeft minister Pronk een voorzet met de prikkelende opmerking dat de politionele acties 'zinloze koloniale oorlogen' waren geweest. En ten slotte, weer enkele weken later, zegt Deetman met de hartelijke steun van de fractievoorzitters doodleuk dat hij een politiek debat in de Kamer eigenlijk nooit heeft gewild.
Voorlopige conclusie: de gezamenlijke politici waren er ondanks verhitte debatten buiten de politieke arena opmerkelijk snel in geslaagd de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen tussen 1945 en 1950 uit de weg te gaan.
Dat waren dezelfde politici die het volgens de historicus Van der Dunk doodnormaal vinden excuses en schuldbekentenissen van Duitsland en Japan te vragen, en die er bij die landen op hameren om tenminste de confrontatie aan te (blijven) gaan met hun belaste geschiedenis. Waarom dan niet in Nederland? Omdat, zo meenden onze politici, een debat nooit zou mogen leiden tot een collectieve schuldverklaring of zelfs maar een veroordeling van het gedrag van de toenmalige politieke gezagsdragers.
Dat kan. Ik kan me vaag herinneren dat daarvoor als argument werd aangevoerd dat de toenmalige 'gezagsdragers' destijds uitvoerig verantwoording hebben afgelegd en dat sindsdien het koloniale verleden nauwkeurig in kaart is gebracht; inclusief het uitbrengen van een nota over de door het Nederlandse leger begane 'excessen'. Klopt, aan gedegen onderzoek naar de 'Indonesische kwestie' heeft het geenszins ontbroken. Wie zich daarom een beeld wil vormen hoe de dekolonisatie precies is verlopen, kan te kust en te keur terecht. Daarentegen is er gerede twijfel mogelijk of er sprake is geweest van een behoorlijke politieke verantwoording; zowel toen als nu.
Hoe het met die verantwoording was gesteld komt aan de orde in het derde deel van de reeks 'Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945', in band C, die morgen gepresenteerd zal worden op een bijeenkomst in Amsterdam. Met de ervaringen van de Golfoorlog en de val van Srebrenica nog in het geheugen, weten we dat zo'n verantwoording haar beperkingen heeft. Veel van wat zich feitelijk afspeelt, wordt achteraf pas bekend. Op het moment zelf wordt van een parlement verwacht de regering niet al te hinderlijk voor de voeten te lopen. Er is daadkracht nodig en vooral ook hartelijke steun in bange dagen. Maar dat het met die verantwoording zo treurig gesteld was in de Indonesië-kwestie overtreft toch de somberste verwachtingen.
Slechts één Kamerlid, de machtige fractievoorzitter van de KVP, Romme, was nauwkeurig op de hoogte van de voornaamste feiten, de rest van het parlement volgde het gebeuren op afstand; wat de volksvertegenwoording overigens niet verhinderde doorlopend ferme, principiële standpunten in te nemen. Het parlement ontpopte zich 'als een dwarslaesie in het dekolonisatieproces', aldus de auteurs van dit onderdeel van de geschiedschrijving.
Hoe treurig is zoiets? De auteurs - en dat zijn er voor deze weerbarstige hoofdstukken maar liefst zes, te weten Van Oerle, Stevens, Brouwer, Clerx, Van der Heiden en Van Griensven - nemen een grootmoedig standpunt in. De eerste politionele actie noemen ze 'onvermijdelijk'. Zij voeren daarvoor goede argumenten aan. De toenmalige regering kon weinig anders handelen dan zij handelde in het belang van zowel de Indonesiërs als Nederland; op straffe van chaos en financieel bankroet.
De politieke speelruimte in de aanloop naar de tweede politionele actie (die in december 1948 van start ging) was aanzienlijk groter. Maar die mogelijkheden werden onvoldoende benut.
Cruciaal was hier het 'bijna manische drijven' van de KVP onder leiding van Sassen, Romme en Beel, respectievelijk minister van koloniën, fractievoorzitter en partijleider en Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon in het voormalige Nederlands Indië, die alle drie in ernst meenden van Indonesië een vazalstaat te kunnen maken, opgesloten in en onder voogdij van een Unie, bemand met goedwillenden, dat wil zeggen onderdanige federalisten, en uiteraard met Nederlandse militaire presentie.
Drees en zijn PvdA zagen zich hierdoor gedwongen in te stemmen met een hardere koers en zich bovendien op het moment suprême, met de opzegging van het bestand in december 1948 ten einde het Soekarno-regime in Djokjakarte met een 'Blitzkrieg' op te kunen rollen, ook nog eens de collectieve verontwaardiging op de hals te halen van de internationale gemeenschap.
Bekend was dat in deze decembermaand het kabinet-Drees-Van Schaik zoals de premier concludeerde 'ophield te bestaan'; tot op het bot verdeeld over enkele majeure concessies die Hatta namens de Republikeinse regering op de valreep had gedaan. Was het een handvat om de onderhandelingen voort te zetten? Of alleen maar een 'handige manoeuvre' zoals de KVP-er Sassen veronderstelde?
Nauwkeurig wordt beschreven hoe het trio Sassen, Beel en Romme uiteindelijk aan het langste eind trekt en wel door Hatta en voorzitter van de Commissie van Goede Diensten, de Amerikaan Cochran, geen tijd te gunnen voor de beantwoording van aanvullende vragen. De Republiek, maar vooral ook de internationale gemeenschap werden voor voldongen feiten gesteld.
En zij niet alleen. Het Nederlandse parlement schaarde zich achter de tweede actie zonder enige kennis van de voornaamste feiten. Zelfs dat er een kabinetscrisis was geweest wist de volksvertegenwoordiging niet. Het beschamendst was misschien nog wel dat vrijwel niemand behoefte had aan de feiten. Ook zonder dat stond de mening van de overgrote meerderheid wel vast. En zo brak het inzicht pas door toen in de daarop volgende maanden de wal het schip ging keren en de overdracht van de souvereiniteit onvermijdelijk werd. In de aanloop naar deze historische gebeurtenis zou Romme nog wel tot twee keer toe, maar tevergeefs, proberen het kabinet op te blazen.
Veel wisten we al over deze dekolonisatie. De verdienste van dit boek is dat de auteurs er in zijn geslaagd het politieke proces in beeld te brengen, inclusief de beschamende rol van het parlement.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.