recensie De biograaf in Jan Fontijn werd geboren op een zonnige morgen in 1961. Fontijn was toen vijfentwintig jaar en kreeg als student Nederlands in de doodstille handschriftenkamer van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek voor het eerst een handgeschreven manuscript aangereikt. Het 'uitleenboekje' van de zeventiende eeuwse geleerde Gerard Vossius, dat Fontijn in zijn handen hield, bezorgde hem een overweldigend gevoel van ontroering en trots. “Ik kon het aanraken, het papier door mijn vingers laten gaan!” schrijft Fontijn in het openingsessay van 'Broeders in bedrog'.
Jaren later zou de letterkundige Fontijn op dezelfde plek, in een schemerige nis in de bibliotheek, dagelijks aan zijn biografie van Van Eeden zitten werken. “Ik heb me geen moment verveeld bij het doen van mijn onderzoek,” vertelt hij. “Met rode konen van inspanning zat ik te lezen in brieven of het dagboek van Van Eeden. Ik zat hem zo dicht op de huid, dat ik bij wijze van spreke het slippen van zijn pen kon horen. Als ik midden in een spannende passage zat en het was vijf uur, dan kwam dat als een schok. Spijtig vond ik het dat de bibliotheek dichtging en ik tot de volgende morgen moest wachten tot ik verder kon lezen.”
De blik van Jan Fontijn glijdt even door de kamer van zijn huis in een smalle, lange straat in het hart van Amsterdam. Allerlei trapjes verbinden in de kamer wel vier verschillende niveaus. Houten treden wentelen zich naar boven langs een prachtig schilderij van zijn vrouw, de schrijfster en schilderes Charlotte Mutsaers, en de ingelijste foto's van hun foxterriërs Dar, Plume en Koert. Het zijn beelden die in de biografie van de biograaf niet zouden mogen ontbreken. Fontijns ogen dalen weer af naar de stapels papier op de keukentafel, voordat hij zegt: “Iedereen maakt een mythe, een kloppend verhaal van zijn leven. Een schrijver heeft de mogelijkheid dat verhaal op een hele genuanceerde wijze in zijn werk vast te leggen. Het fascinerende van een schrijversbiografie is de mogelijkheid via het literaire werk een mooie hypothese te stellen voor het leven. Je kunt ervan uitgaan dat een goede schrijver - en daarheb ik het over: alleen over goede schrijvers schrijft men biografieën - op de wijze van de literatuur een aantal van de fundamentele obsessies van zijn leven vastlegt.”
U heeft het nu niet over voor de hand liggende overeenkomsten tussen gebeurtenissen in het werk en de levensloop van een schrijver, de onbenullige feitjes waarvan mensen willen weten of ze 'echt' gebeurd zijn.
“Nee, helemaal niet. Het kan zo zijn dat iemand totaal niet autobiografisch schrijft, maar dat hij het desondanks over zijn leven heeft op de wijze van de fictie. Het napluizen van zogenaamde autobiografische elementen in romans vind ik vrij vruchteloos. Daar kun je de plank totaal mee misslaan. Het brengt slechts in uitzonderlijke gevallen de biograaf op een idee. Maar soms kan het niet anders. Zo iemand als Bastet, de biograaf van Louis Couperus, die was daartoe gedwongen omdat er te weinig egodocumenten beschikbaar waren.”
“In de meeste gevallen kom je zo niet bij de rode draden die door het leven van een schrijver lopen. In het geval van Van Eeden - van wie wel een enorme hoeveelheid notities, dagboeken en brieven bewaard is gebleven - kwam ik langs een hele andere weg tot de essentie, die ik uiteindelijk 'trots verbrijzeld' heb genoemd. Pas na zorgvuldige studie en begrip van het werk kreeg ik een handvat om de egodocumenten goed te begrijpen en zijn persoonlijke mythe te ontsluieren.”
“Je kan het leven met een ingewikkelde tekst vergelijken. Wat je als biograaf doet, is die tekst zo goed mogelijk proberen te lezen. Dat is geen gemakkelijke taak, omdat de tekst op allerlei manieren corrupt is. Er zitten hiaten, leugens, tegenspraak en misleidingen in. Een biograaf moet in al die corrupte regels en woorden toch een samenhang vinden. Maar dat moet met de grootst mogelijke voorzichtigheid worden gedaan. Het komt nogal eens voor dat een biografie als onomstotelijk wordt gepresenteerd. Voilà, dat is het!” Fontijn slaat met een klap op de keukentafel. “Vaak blijkt dat voor die zelfverzekerde samenhang dingen zijn weggemoffeld of juist opgepoetst. Eigenlijk zou een biograaf in zijn boek steeds zijn interpretatieproblemen ruiterlijk moeten toegeven en in zijn verslag opnemen. Dat zou een veel eerlijker boek opleveren..”
...en een ontoegankelijker, een stugger boek.
“Dat zou kunnen. Toch is er een aantal boeken waarin juist de zoektocht van een biograaf prachtig is opgeschreven. 'De papagaai van Flaubert' van Julian Barnes is daarvan een goed voorbeeld.
Maar dat is een roman, geen biografie. Als alle twijfel, alle problemen ook nog eens moeten worden opgenomen worden al die biografieën toch veel te dik? Neem bijvoorbeeld de biografie van Harry Prick, 'In de zekerheid van eigen heerlijkheid', die het leven van Lodewijk van Deyssel niet van jaar tot jaar of dag tot dag beschrijft, maar bijna van uur tot uur.
“Ja, het kan ook een groot nadeel zijn. Hoewel Prick een mooi boek heeft geschreven, laat hij de lezer in zijn biografie het leven zelf maar reconstrueren. Al het materiaal, al dat schitterende materiaal, geeft hij weer zonder het echt te structureren. Hij zit er zo dicht op dat hij nergens een keuze maakt. Harry Prick is Lodewijk van Deyssel zelf geworden.”
Moet een biograaf in de keuze van zijn thema's en motieven in een leven zich meer gelegen laten liggen aan de stijl van de romanschrijver of de strenge eisen van de wetenschapper?
“Dat is een oeverloos probleem. Zelf heb ik meer de neiging om het accent te leggen op het wetenschappelijke. Maar tegelijkertijd ben je als biograaf bezig een echt verhaal te maken. Dat wil niet alleen zeggen dat je een persoonlijke samenhang aanbrengt, maar je moet ook denken aan de lezer. Daar zit het probleem. In het eerste deel van mijn biografie, 'Tweespalt', heb ik veel gebruik gemaakt van de cliffhanger. Ik voerde aan het eind van het hoofdstuk steeds even de spanning op over wat er in het volgende moest gaan komen. Dat is een hele onschuldige romantechniek. Maar de verleiding is groot alles op het verhaal toe te snijden. In 'Trots verbrijzeld' ben ik er dan ook nog voorzichtiger geweest.”
Fontijn houdt een ogenblik de adem in, denkt even na en
vraagt zich dan af: “Hoe ver daal je af? Ik vergelijk het wel eens met de cover van een populair weekblad, waar een geretoucheerd fotomodel opstaat. Tegenwoordig is men met de computer in staat oneffenheden weg te werken, iemands gezicht bij te schaven naar je eigen gevoel. Hoeveel retoucheer je? Het gevaar bestaat dat er van het oorspronkelijke model niets meer overblijft. Een maaksel.” “Bij het opstellen van een schrijversbiografie is dat uit den boze. Een levensverhaal kan niet in chaos worden verteld, je bent gedwongen orde aan te brengen. Maar de orde mag de waarheid geen geweld aandoen, je moet het gevaar weerstaan het beeld niet teveel te populariseren. Daar waarschuwde de historicus Johan Huizinga al voor, die in de jaren twintig en dertig werd geconfronteerd met populaire biografieën en de vie romancées. Gepolijste boeken, voorzien van fictie-elementen om het publiek lekker te maken. Huizinga wierp terecht een dam op tegen die tendens, hij verdedigde met hand en tand de historische waarheid.”
Dat heeft u er niet van weerhouden heel dicht op de huid te kruipen van uw held, misschien zelfs wel onder zijn huid.
“Reflectie èn zelfreflectie zijn erg belangrijk. De psychoanalyse, die ik van mijn dertigste tot mijn vijfendertigste dagelijks heb ondergaan om een familiedrama te verwerken, hebben me van een heleboel zaken bewust gemaakt. Als je in psychoanalyse bent, maak je in feite de biografie van je emotionele leven. Het gaat er niet zozeer om de feiten, maar om de stemmingen in kaart te brengen. De analyse heeft me duidelijk gemaakt hoe je jezelf bedriegt, een mythe van je eigen leven maakt. En hoe ontzettend lastig het is je starre manier van denken en kijken te doorbreken.”
“Om de vergelijking van die corrupte tekst nog eens te gebruiken: de biograaf moet tussen de regels door lezen, om achter de waarheid te komen. De betekenis is vaak verscholen. Een aantal intenties van mensen zijn verborgen, en daar heb je terdege rekening mee te houden. Een biograaf moet daarnaar op zoek. Daarmee wil ik niet beweren dat de psychoanalyse als model ten grondslag moet liggen de biografie. Integendeel, de meeste Freudiaanse biografieën vind ik een horreur. Met de diagnose meent men de sleutel tot de persoonlijkheid in handen te hebben. Dat is veel te gemakkelijk. Even een etiket plakken en hup! klaar. Zo gaat het niet.”
“Toch kan de zoektocht naar het verborgene, het onbewuste wel degelijk iets opleveren. Ik had opeens in de gaten dat de zelfvernedering, de verheerlijking van het lijden een continue lijn in het leven van Van Eeden is. Dat was voor mij het grote moment. Eureka! Met de ontdekking van deze imitatio Christi van Van Eeden vielen ineens een heleboel puzzelstukjes op zijn plaats. Maar het belang dat ik aan de christelijke deemoed toekende, had ook met mijn eigen verleden te maken. Ik ben katholiek opgevoed en las als jongen het boekje 'Imitatio Christi' van Thomas a Kempis. Ik ben opgegroeid met een groot kruisbeeld aan de muur, het symbool van een cultuur waar de lijdende Christus de held was. Het idee was: als je Christus nabij wilt komen, moet je lijden zoals hij geleden heeft. Daarom kon ik het thema bij Van Eeden herkennen. De biografie gaat dus niet alleen over de beschrevene, maar ook over de biograaf zelf.”
Dat moet ervoor zorgen dat u bij het schrijven van de biografie uiterst voorzichtig te werk ging. Kunt u zeggen waar de ethische grenzen van de biograaf liggen?
“Die zijn ontzettend lastig vast te stellen. Om te beginnen moet je goed begrijpen dat de pretentie van een biograaf enorm is. Hij vat het leven en werk van een schrijver even in een boek samen. Bovendien gaat een biograaf rigoreus te werk. Hij opent slaapkamers, kinderkamers alsof het niets is. Een biograaf stort zich met een klap in de jeugd, die de schrijver zelf zo omzichtig heeft opgetekend. Bam!” Voor de tweede keer
daalt de hand van Fontijn neer op het tafelblad. “Sommige biografen maken echt misbruik van de situatie, zoals die Andrew Morton, de schrijver van 'Diana: Het True Story'. Dat is een schoft, die onwetende familieleden bedondert en geen middel schuwt om onthullingen te doen.”
“Maar het is evident dat er aan het genre, ook voor de serieuze biograaf, altijd een beschamende kant kleeft. Vaak moet je zeer omzichtig te werk gaan bij het verkrijgen van materiaal. Mensen hebben terecht een zekere terughoudendheid bij het verstrekken van informatie aan een indringer die zich biograaf noemt. Je moet jezelf wel eens forceren om gegevens los te krijgen, omdat je wordt gedreven door het diepe verlangen alles te pakken te krijgen. Het is een keer voorgekomen dat ik na afloop van zo'n gesprek met degoût van mezelf vervuld raakte. Ik was in de provincie geweest en zat op zo'n verlaten stationnetje. In de restauratie begon ik toen achter elkaar glazen bier te bestellen om de wrange smaak weg te spoelen.”
Voyeurisme heeft altijd al deel uitgemaakt van de aantrekkingskracht van de biografie. Kan dat ook de recente opleving in de aandacht voor het genre verklaren?
“De huidige populariteit van de biografie heeft zeker iets te maken met de context van de tijd. In de gemeentearchieven zijn talloze mensen op zoek naar de geschiedenis van hun familie. Het vertellen van je levensverhaal is in zwang. Allerlei tv-programma's draaien daar om. Dat heeft een ergerlijk voyeuristische kant, waarin mensen nogal eens het slachtoffer worden van gewetensloze journalisten. Een walgelijke vorm van psychisch exhibitionisme. Je vraagt je soms af hoe mensen later op zo'n programma zullen terugkijken, hoe de omgeving ze zal behandelen.”
“Maar goed, dit soort aandacht bepaalt ook de populariteit van de biografie. De mensen zijn op zoek naar modellen van leven. Nu de vaste denkpatronen, ideologieën en godsdiensten langzaam aan het verdwijnen zijn, kan de geschiedenis van een leven houvast bieden, en enorm inspirerend werken. De voorbeeldfunctie van de biografie was tot de negentiende eeuw heel normaal, maar is een tijdlang weggevallen. Er mochten geen helden meer zijn. Biografen benadrukten de negatieve kanten van een persoonlijkheid, deden opzettelijk aan debunking. Dat is nu weer een beetje voorbij. We zijn sceptischer en kritischer geworden, maar er is ook weer plaats voor bewondering.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.