*

 

Ook Wigmans generatie is 'gebeten op geluk en overvloed'

PETER DE BOER − 20/02/98, 00:00

recensie Jong, snel en romantisch, zo mag je 's Zomers stinken alle steden', het debuut van Menno Wigman, wel karakteriseren. Jong en toch ook een beetje ouwelijk, want de dichter worstelt met zijn dertigste al met een 'midlife crisis'.

Titels als 'Bijna dertig' en 'Media vita' wijzen op vroegrijp gepieker. Hiertegenover staan de wilde, vitale jaren van weleer die Wigman in opvallend soepele en ritmisch sterke verzen uitvoerig ter sprake brengt. Drank, geld en lekkere wijven: ook Wigmans generatie is er, 'gebeten op geluk en overvloed', voor gevallen. Opgewekt ironisch zet hij deze Sturm und Drang te kijk: 'Nu ontwaakt het oproer/ in hun broeken, stromen de jurken/ vol warme stranden, één lamme, klamme/ en verdwaasde revolutie, dans,/ drank en kelen die kraaien om méér'. In terugblik wekt deze hectiek op 'de bidmat van het vlees' danwel op 'de meisjesmarkt van ja en nee' nogal op de lachspieren en dat is ook de bedoeling, schat ik. Anderzijds flirt hij waar het zo te pas komt toch ook opvallend serieus met de walging, spleen en onrust van het negentiende-eeuwse fin de siècle, wat gezien Wigmans voorgeschiedenis als vertaler (van Baudelaire, Nerval en Rilke) ook niet zo verwonderlijk is. Dan heet het, met een knipoog naar Lautréamont: 'waar/ liefde vloeit zaai ik mijn walging uit'. Wigmans poëtische schets van zijn generatie hangt een beetje tussen ironische pose en naïeve navolging in en hij lijkt er zelf ook moeite mee te hebben om te bepalen waar de grens nu precies loopt. Technisch zit het knap in elkaar, maar wat hij ons te zeggen heeft is vaak voorspelbaar en oppervlakkig. Niettemin: het talent hééft hij.

mailIcon print |