*

 

De mens als evenknie van de Schepper

ARIE VAN DER ZWAN − 28/08/99, 00:00

recensie Is de mens de bekroning van de schepping of slechts een schakel in het evolutieproces en vormen de met geestkracht bezielde machines een volgende stap? Een stoutmoedige gedachte die allerlei gevestigde inzichten op zijn kop zou kunnen zetten. Wie bereid is aan te nemen dat het proces van evolutie met de schepping gegeven is, hoeft er om geloofsredenen nog niet geschokt door te zijn. Binnen het katholicisme is er zelfs een stroming geweest die de marxistische visie op de klassenstrijd kon aanvaarden als een door God gegeven mogelijkheid om de maatschappij door strijd voor verbetering tot rechtvaardiger verhoudingen te brengen.

De evolutie als scheppingsgegeven voor de levende natuur en de klassenstrijd voor de maatschappelijke werkelijkheid. Die visie zou het scheppingsverhaal van zijn deterministische trekken ontdoen: niet de concrete loop der gebeurtenissen is voorbeschikt, maar de bewegingswetten die eraan ten grondslag liggen waarvan de uitkomsten niet vooraf vastliggen. De sprongmutatie van levende organismen die met geestkracht bezield zijn naar machines die een ziel bezitten is dus niet noodzakelijkerwijze in geloofsopzicht een schokkend inzicht, maar spot veeleer met wetenschappelijke inzichten.

Ray Kurzweil, de verkondiger van deze stelling, is in wetenschappelijk opzicht evenwel niet de eerste de beste. Hij geldt als de uitvinder en wegbereider van technologische doorbraken als spraak- en tekstherkenning door computers en beweegt zich op het terrein van de kunstmatige intelligentie. Hij staat dus in de frontlinie van technologische ontwikkelingen die de verbeeldingskracht tarten. Zijn werk heeft ook binnen de wetenschappelijke wereld erkenning gevonden.

Kurzweil weet dus waarover hij het heeft. Tenminste zolang hij het over technologie heeft, maar geldt zijn genie nu ook voor het terrein van de evolutie? Het is in elk geval de moeite waard zijn gedachtengang te volgen. Daarin spelen twee overwegingen de hoofdrol. De eerste is gebaseerd op een vergelijking van de intellectuele vermogens van het menselijk brein met die van intelligente machines. Kurzweil ziet als kracht van het menselijk brein zijn bijna onbeperkt vermogen tot parallelle denkprocessen. Als zwakte de lage snelheid waarmee het menselijk brein in staat is berekeningen uit te voeren als ook het beperkte vermogen om mogelijkheden en combinaties systematisch af te tasten.

Intelligente machines vormen hierop een perfecte aanvulling. Hun rekenvermogen is nu al onvoorstelbaar groot en zal zonder twijfel verder kunnen worden opgevoerd terwijl hier tegenover staat dat ze op het vlak van parallelle denkprocessen zeer beperkt zijn. De integratie van het menselijk brein met intelligente machines ligt, aldus Kurzweil, zeer voor de hand en zal het intellectuele vermogen op een ongekend hoger plan brengen.

Zijn tweede overweging betreft de wet van de toenemende meeropbrengsten die in het denken van Kurzweil een centrale plaats inneemt. Die wet zal zijns inziens met zich meebrengen dat de evolutie niet zal blijven steken op de doodlopende weg die in ons DNA besloten ligt. Om die reden zal de ,,DNA-evolutie tenslotte verlaten moeten worden'. De op DNA gebaseerde evolutie is rijk aan mogelijkheden om het basisontwerp van organismen op en uit te rekken, maar is niet geschikt om van basisontwerp te veranderen en een geheel nieuwe weg in te slaan.

Organismen die zich ontwikkeld hebben langs de lijnen van de DNA-evolutie zitten vast op een wel heel moeizaam type schakelingen. De wet van de toenemende meeropbrengsten leert ons volgens Kurzweil dat het vastlopen op een doodlopende weg nooit lang duurt, er zal een weg gevonden worden om de huidige beperkingen te omzeilen.

Het scenario dat hij hierbij voor zich ziet is dat het menselijk lichaam en brein zich verder zullen ontwikkelen. Ze zullen in samenhang verbeteren door gezamenlijk te migreren naar nieuwe modaliteiten en materialen. Onze hersenen zullen niet in één stap met nieuwe rekenmechanismen worden verruimd. Die transformatie zal geleidelijk plaatsvinden. Aanvankelijk door directe verbinding van de hersenen met intelligente machines totdat de kern van ons denkvermogen geheel geëmigreerd is naar machines wier capaciteit en betrouwbaarheid dan heel wat groter zullen zijn.

Zo dit beeld ons een ongemakkelijk gevoel mocht bezorgen, stelt Kurzweil ons gerust, dan moeten we ons realiseren dat dit alles te maken heeft met de lading van het woord machine. Maar ons hele besef en onze waardering van dit woord zullen mee veranderen met ons brein.

Met de transformatie van ons lichaam zijn we nu al een heel eind gevorderd. Kunststoffen en metalen worden nu al toegepast om de mens van nieuwe kaken, heupen en schedel te voorzien, kunstmatige huid wordt al toegepast evenals kunstmatige hartkleppen, bloedvaten en slagaders. Om van kunstmatige ledematen te zwijgen. Ook de functie van organen wordt nu al door machines overgenomen, de toepassing van kunststoffen met gekweekte cellen zal organen als de lever en pancreas kunnen vervangen. Ook de voortplanting leent zich voor herziening, nu al is er voor de penis een prothese ontwikkeld uitgerust met pompjes om een erectie te simuleren, zodat ook op dit gebied nieuwe mogelijkheden ontstoten worden.

Kurzweil geeft toe dat de gedachte om ons lichaam met behulp van kunststoffen en kunstmatig werkende organen opnieuw te construeren, niet bepaald aanlokkelijk is. Zullen we de zachtheid van ons lichaam en zijn warmte niet missen? Om aan dit bezwaar tegemoet te komen besluit Kurzweil dat het verstandig kan zijn om een van de verworvenheden van de huidige evolutie toch maar te behouden, namelijk de opbouw van ons lichaam uit cellen.

Die aanpak zou bovendien het voordeel hebben dat onze huidige gunstige eigenschappen behouden kunnnen blijven: de overcapaciteit die ons lichaam en brein zo hoge mate van betrouwbaarheid en trefzekerheid geeft, het vermogen waarover we beschikken om te herstellen en in geval van beschadiging functies over te nemen en tenslotte de zachtheid en warmte van ons lichaam.

Maar dan zullen we de uiterst lage snelheid van onze neuronen toch moeten zien te overwinnen evenals de beperkingen van onze op proteïne gebaseerde lichaamschemie. In de 21ste eeuw, zo stelt Kurzweil, zullen de mogelijkheden hiertoe daadwerkelijk voorhanden zijn en het sleutelwoord in deze is nanotechnologie. Dit is nu nog een weinig bekende technologie maar de erkenning van de grote mogelijkheden ervan neemt gestaag toe.

Het vreemde van dit boek is zijn gespletenheid. Aan de ene kant stelt Kurzweil zich op het standpunt dat uitkomsten van denkprocessen evenals van ontwikkelingsprocessen vooraf geenszins vastliggen. Verrassende wendingen en sprongmutaties zijn niet uitgesloten, ook niet op het terrein van de computertechnologie. Aan de andere kant voert hij ons binnen in de wereld van de toekomst. Niet als een ontdekkingstocht om mogelijkheden te verkennen maar alsof we met een karretje een virtuele supermarkt betreden waarin we alles wat van onze gading is bijeen kunnen sprokkelen: ons brein koppelen aan intelligente machines en de kern van ons denken laten migreren evenals ons lichaam om zo de meest gunstige combinatie van eigenschappen tot stand te brengen?

Levert dit bij nader inzien toch bezwaren op, dan verleggen we het pad van de evolutie door lichaam en brein cel voor cel opnieuw op te bouwen en behouden we zo de voordelige eigenschappen maar vervangen de minder voordelige. Zie hier de mens als schepsel en schepper tegelijk, geleid door het criterium van het hoogste rendement. Het is niet de stoutmoedigheid die deze gedachtengang ongeloofwaardig maakt maar de inconsitentie ervan.

Zoals Kurzweil over ons besef en onze waardering van het woord machine terecht opmerkt dat bij een verandering van ons brein ook hierin verandering kan komen, geldt dit voor het hele door hem voorziene ontwikkelingstraject. Aanvaarden we voor een ogenblik de zienswijze dat het mogelijk zal blijken om de beperking van de DNA-evolutie te omzeilen, dan zal het zodra de eerste stappen op weg hier naartoe gezet zijn, al niet meer mogelijk zijn om op dit moment over het vervolg enige zinnige uitspraak te doen. Het hele besef en de waardering van alles wat ons thans vertrouwd is aan begrippen, inzichten en gevoelens zal hiervoor ingrijpend gewijzigd kunnen worden en hiermee het ontwikkelingsperspectief dat Kurzweil voor ogen staat. Kurzweil zal immers Kurzweil niet meer zijn. Wie zal uitsluiten dat we veranderen in vegeterende wezens die van futurologie en rendement geen benul meer hebben.

Dit boek is niet alleen in de ontwikkeling van het betoog merkwaardig gespleten maar ook in zijn opbouw. Het eerste deel dat over intelligente machines gaat en aansluit op een alom gewaardeerde publicatie van Kurzweil uit 1990, 'The Age of Intelligent Machines', is informatief en coherent. Het tweede deel dat handelt over 'The Age of Spiritual Machines' bezit niet dezelfde kwaliteiten. Toch is het boek alleszins de moeite waard. Het biedt een interessante oriëntatie op mogelijkheden van nieuwe technologieën die niet alledaags zijn. En we moeten Kurzweil ondanks de bezwaren tegen zijn betoog toegeven dat veel van wat zich aanvankelijk als weinig plausibel voordeed, na verloop van niet eens zo lange tijd toch mogelijk is gebleken.

mailIcon print |