recensie K. W. Swart: Willem van Oranje en de Nederlandse opstand 1572-1584. Bezorgd door R. P. Fagel, M. E. H. N. Mout en H. F. K. van Nierop. SdU, Den Haag; 311 blz. - ¿ 59,90. A. Th. van Deursen: Willem van Oranje, een biografisch portret. Bert Bakker, Amsterdam; 86 blz. - ¿ 17,90 .
Zouden gewoon de feiten van het verleden - wie es eigentlich gewesen, zoals Ranke schreef - zo een mens te voorschijn kunnen brengen? Zo menselijk als het in de gegegeven omstandigheden maar mogelijk zou zijn? Een beetje goed, een beetje slecht, een zwijger en prater, idealist en pragmatist, van alles wat? Maar als de man zo van de omstandigheden af zou hangen, als de waarheid in de feiten al aanwezig is, hoe weten we dan eigenlijk wat hem zo uitzonderlijk heeft gemaakt? Leert de omgang met mensen niet dat ze méér zijn dan hun omstandigheden? Dat er in hun meerwaarde een geheim schuilt dat alleen door een emotionele betrokkenheid enigszins benaderd kan worden?
We weten niet goed waarom de auteur, die in 1992 plotseling stierf, deze man op zijn historische snijtafel legde. Swart was een vakman, meer voorzichtig dan enthousiast. Als hij zich betrokken voelde, hij schreef er niet over. Hij las doodgewoon grondig de bronnen en polemiseerde niet zo graag met vakgenoten. Hij was er, denk ik, niet méér op uit op de mythe te ontmaskeren dan welke historicus ook die zijn vak serieus neemt. Het gaat om de waarheid sec, Swart geloofde daarin, maar of hij zich bezon op wat de waarheid eigenlijk is, weet ik niet.
Swart kweek op een afstand naar zijn vaderlandse object. Hij had wel in Leiden gestudeerd, maar een carrière opgebouwd in Amerika, die in 1967 bekroond werd met een benoeming in Londen. Daar bleef hij tot zijn emeritaat in 1984.
Swart had zijn boek bedoeld voor het herdenkingsjaar 1984, maar zoals gezegd, hij was bedachtzaam. Toen hij stierf, was hij nog lang niet klaar. Hij liet een manuscript na dat curieus genoeg alleen alleen de laatste jaren van Oranjes leven beschreef: 1572 tot 1584. Collega's en leerlingen hebben het persklaar gemaakt en een van hen heeft over het eerste deel van Oranjes leven (1533-1572) een korte schets geschreven, gebaseerd op aantekeningen van Swart.
Naar dit boek is onder vakmensen al wel uitgezien, maar het hele vaderland heeft er belang bij. Swart had reeds hier en daar in verspreide opstellen een en ander verteld over zijn visie op de Prins en dat was nogal 'ontmythologiserend'. Hij legde de nadruk op Willems eerzucht om de glorie van zijn huis te dienen. Zou het nagelaten boek nu eindeljk een compleet revisionistisch beeld geven van de Prins van Oranje?
Het woord revisionisme heeft de bijklank van ontmaskeren, wat we met een Amerikaans woord wel debunking noemen. Er zijn altijd historici die er een behagen in scheppen om de mythen van de vaderen af te breken. Maar Swart was, lijkt mij, niet zo'n man. En zijn boek is geen ontluistering van de Vader des Vaderlands, al ruimt het wel door zijn nuchtere eerlijkheid bepaalde mythen op. Maar men kan het wel zo lezen en in sommige recensies is het triomfantelijk zo geïnterpreteerd. Zo wordt in de titel van een bespreking in de Volkskrant Willem van Oranje gekarakteriseerd als: 'Grootmeester in schijnbewegingen, bedrog, zeuren, chantage en dwingelandij'.
Dat is geen wonder, in een historiografie die bij de feiten blijft, worden de critici als het ware uitgedaagd om er te pas en te onpas hun eigen uitleg aan te geven. Met alleen de feiten kan het definitieve standaardwerk over een gecompliceerde figuur uit het verleden zoals Willem van Oranje, niet worden geschreven.
Swart zelf oordeelt genuanceerd, hij concludeert dat de Prins een man was van grote gaven, zoals vooral bleek in de eerste moeilijke jaren van de opstand, toen zijn volk tenminste in de provincies Holland en Zeeland resoluut achter hem stond. Toen bleken wel zijn kracht, zijn trouw, zijn idealisme. Ja, zonder hem zou de opstand nooit geslaagd zijn. Dat was his finest hour, de auteur waagt de vergelijking met Churchill. Maar na het mooie succes van de Pacificatie van Gent in 1576 verslechterde de toestand gaandeweg en toen kwam ook de keerzijde aan het licht: de Prins geraakte in een zeer gecompliceerde situatie, die tenslotte zo wanhopig werd, dat hij haast niet anders kon dan falen.
Om dan een oordeel te vellen is heel moeilijk. Hoe is in de nood de verhouding tussen de mens en de omstandigheden, tussen ideaal en werkelijkheid? In hoeverre heiligt het doel de middelen? Had de Prins, zoals Swart zegt, een niets ontziende mentaliteit? Dat zou b. v. blijken uit zijn plan om het land om Leiden onder water te zetten. Deskundigen waarschuwden hem dat dit fataal zou zijn (wat trouwens niet waar was), maar hij zette door. Philips II had, zoals Swart opmerkt, in vergelijkbare situaties heel wat meer compassie met de boeren.
Toch toont de schrijver telkens begrip voor de wanhopige positie waarin de Prins zich bevond. Het onbegrip en de kleinzieligheid waarmee hij te worstelen had, het Hollandse particularisme, de moedwil van zijn aanhangers, zoals Lumey en zijn consorten. Het fanatisme van de calvinisten met voorop de onverdraagzame Datheen (jazeker, de psalmberijmer!). De onzekerheid van de relaties met de vorsten op wier hulp hij hoopte, de Duitse heren, de koning van Frankrijk en zijn machige moeder Catherina de Medici (van de Bloedbruiloft), de grillige Elizabeth in Engeland. En uiteraard vooral de koning die hij beweerde te eren, zoals we nog zingen, de aartsvijand waar hij tegen op moest tornen, Philips II.
Stuiten we daar weer op een mythe? Moderne geschiedschrijving is heel wat vriendelijker tegen de Spaanse koning dan wij op school leerden. Hij was ijverig, consciëntieus, een vroom katholiek enzovoorts. Had Oranje wel gelijk om hem zo te wantrouwen? Dat is een probleem waar de schrijver niet mee in het reine komt. Hij vindt dat de Prins meer recht had moeten doen aan de verzoenende geest die Philips in 1577 toonde. Maar hij schrijft in de volgende regel, dat zijn achterdocht niet geheel misplaatst was. Die ambivalentie kan Swart niet meer kwijt raken. Telkens weer noemt hij het wantrouwen van Willem overdreven, om er dan meteen aan toe te voegen, dat een verzoening met de koning zeker het einde van het nieuwe regime in Holland en Zeeland zou hebben betekend. Hij beweert dat de koning veranderde, maar dat blijkt niet wezenlijk te zijn: Oranje's achterdocht is 'geenszins misplaatst'.
Feiten zijn niet genoeg om mensen te verklaren, dat lijkt mij het probleem van dit soort afstandelijke geschiedschrijving. Dat wil niet zeggen, dat we niet zeer veel leren over het leven van Willem en een veel helderder inzicht krijgen in de ingewikkelde toestand waarin hij moest manoeuvreren.
Maar die man was tegelijk meer dan een politieke pragmaticus, hij was een levend mens, een Bourgondische edelman die een hoge staat voerde, een causeur die ware bedoelingen wist te verbergen en zo de bijnaam De Zwijger kreeg. Een man die wel vroom begeerde te leven, zoals hij van zichzelf liet schrijven in het Wilhelmus, maar die tegelijk zeer aards was, die bestond uit contrasten, die optimistisch was en achterdochtig, diep gelovig maar ondogmatisch, vast besloten maar met een diep besef van de wisselvalligheid van alle menselijk streven. Door zich aan de feiten te houden, mist Swart veel van de spanning en tragiek in het leven van Oranje.
Had hij beginselen of was hij alleen maar een opportunist? Moeten we zijn vrome brieven, zoals de beroemde waarin hij schrijft dat hij een verbond heeft gesloten met den Potentaat der Potentaten, en zijn laatste woorden: 'Ayez pitié, mon Dieu, de moi et ayez pitié de ce pauvre peuple' afdoen als retoriek of waarderen als waarachtige belijdenissen? Werd hij echt een calvinist toen hij in Holland terecht kwam in 1573, of was dat ook puur opportunisme?
Swart raakt die wezenlijke vragen maar half aan. Wel beschrijft hij de Prins als een man die oprecht geloofde in tolerantie, die zijn beroemde rede in de Raad van State in 1564 volkomen meende, die wist dat Gods wegen onnaspeurlijk zijn, maar die anderzijds een oudtestamentisch vertrouwen in de Heer der heerscharen had. En jazeker, zegt Swart, het is heel aannemelijk dat zijn laatste woorden geen legende zijn.
Maar diep gaat de schrijver niet in op het geestelijk leven van de Prins. Hij vraagt een beetje verlegen, of het oudtestamentisch vertrouwen wel in overeenstemming kan zijn met de leer van het evangelie, hij zoekt een logische verklaring. Op een heel andere manier doet dat ook de historicus A. Th. van Deursen, in een boekje dat hij onlangs over de Prins heeft geschreven (het is een uitgebreide herdruk van een geschrift uit 1984). Van Deursen hanteert de logica van het geloof. Hij neemt de brieven veel letterlijker en hij komt dan tot de conclusie dat de Prins evolueerde van een twijfelende erasmiaan tot een echte calvinist.
Maar het probleem is dan wat calvinisme eigenlijk betekent. Van Deursen beweert dat het 16e-eeuwse calvinisme breed en oecumenisch was, maar een bladzij later merkt hij terecht op dat de Hollandse calvinisten geen godsdienstvrijheid in hun gewest toestonden. Zijn boekje is een zeer leesbare en evenwichtige inleiding maar hij trekt, denk ik, de zaak scheef naar de andere kant.
Was Willem van Oranje een calvinist? Dat is, lijkt mij, moeilijk te begrijpen. Hoe bitter hebben juist de calvinisten hem dwars gezeten om zijn ruimhartige opvattingen over godsdienstvrijheid. Godsvertrouwen is zeker nog geen calvinisme. En Willems afkeer van kerkelijke tucht, strijd voor tolerantie, sympathie voor de oprecht oecumenische pastor Hubert Duifhuis en opkomen voor het erkennen van de belofte der doopsgezinden als gelijkwaardig met de eed der calvinisten - het zijn werkelijk geen kenmerken van een calvinistische overtuiging. In zijn brieven is geen dogmatische rechtlijnigheid te vinden.
Mij doet hij sterk denken aan een andere staatsman die eveneens tegen heug en meug een oorlog leidde, op God vertrouwde maar even diep besefte hoe groot de afstand is tussen God en mens en die in zijn laatste rede eerbiedig opmerkte: 'The Almighty has his own purposes'. Abraham Lincoln, Amerika's president tijdens de Burgeroorlog, werd evenzeer tegengewerkt, belasterd, gehaat en nadat hij vermoord was, heilig verklaard. En het geheim van zijn leven blijft even moeilijk te doorgronden.
Maar wat kunnen de historici anders doen dan tastend naar de waarheid toe blijven schrijven? Het posthume boek van Koen Swart leidt in elk geval weer eens tot bezinning op de raadselachtige figuur van de Vader des Vaderlands en zijn verloren wereld. Het is alleen, dat moet tenslotte gezegd worden, heel jammer dat het fraai uitgegeven werk zo zuinig en schamel is geïllustreerd en zo schandelijk vol zit met druk- en taalfouten. Heeft die uitgeverij geen corrector? De piëteit waarmee dit posthume werk gepubliceerd is, had wel wat meer in de verzorging mogen blijken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.