recensie Ir. H. F. Ambachtsheer: Van verdediging naar bescherming. De Atlantikwall in Den Haag. Uitgave Gemeente Den Haag. 284 blz., geïll., veel gedetailleerd kaartmateriaal. ¿ 49,50.
Een belangrijke oorzaak van de omvangrijke materiële schade vormt het feit dat de stad, als bestuurlijk en militair centrum van de Duitse bezetter, tot vestinggebied werd uitgeroepen. Of in Duits militair jargon: Den Haag was als Stützpunktgruppe Scheveningen onderdeel van de Atlantikwall; een verdedigingslinie die van de Noordkaap tot de Pyreneeën liep.
Tot de verdedigingswerken behoorden, naast 148 zeer zware bunkers, een tankgracht en tankmuren die dwars door Den Haag en Scheveningen zijn aangelegd. Rond de tanklinie is een brede zone geheel ontruimd. Bijna 3 200 huizen zijn met de grond gelijk gemaakt; drie kerken, twee ziekenhuizen en zeven scholen vielen onder de slopershamer. Ook het groen in het schootsveld moest er aan geloven. Bomen en struiken werden gekapt, duinterreinen werden kaalgemaakt, de helft van het Haagse Bos werd gerooid.
Vijftig jaar later zijn de sporen nòg te zien: breuklijnen in de stedelijke structuur, vreemde verstoringen in het architectonische beeld van de stad - nauwelijks geheelde wonden. Het hoofd van de afdeling monumentenzorg van Den Haag, Henk Ambachtsheer, heeft negen jaar onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de Atlantikwall, de aanleg in Den Haag, de ontruiming en sloop van duizenden Haagse en Scheveningse huizen en de wederopbouw van de stad.
Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in het boek 'Van verdediging naar bescherming. De Atlantikwall in Den Haag', dat gisteren door de Haagse wethouder Meijer (monumentenzorg) is gepresenteerd. Ambachtsheer heeft ook een inventarisatie gemaakt van de onderdelen die nog zijn terug te vinden en stelt voor een aantal bunkers vanwege hun cultuur-historisch belang tot monument te verklaren.
Volgens Ambachtsheer behoort de aanleg van de Atlantikwall tot de historie van Den Haag, ook al is het een zwarte bladzijde. De wederopbouw heeft deze niet geheel kunnen negeren en spoorloos doen verdwijnen. Waarom zouden we, terwijl geschreven documenten uit de bezetting zorgvuldig in archieven worden gekoesterd, dan de bunkers (ook bronnenmateriaal) achteloos verloren laten gaan?, vraagt wethouder Meijer zich in zijn voorwoord af. Van de 1100 objecten die tot de Vesting Den Haag behoorden, zijn er nog 500 in stand. Volgens Ambachtsheer komen 41 zware bunkers en 133 overige werken in aanmerking als monument te worden beschermd.
Na de bezetting van de westelijke kusten van Europa in 1940, hielden de Duitsers rekening met kleinschalige acties vanuit zee; tot een grootscheepse landingsactie achtten zij de Engelsen niet in staat. Voor de aanval op de Sovjet-Unie (die in juni 1941 begon) moest een aanzienlijk deel van de land- en luchtmacht naar het oosten worden verplaatst. Omdat de Duitsers een oorlog op twee fronten vreesden, besloten zij de afweerkracht in het westen met verdedigingswerken te versterken. Eind 1941 werd bevel gegeven tot aanleg van de Neue Westwall, later omgedoopt in de Atlantikwall.
In Nederland lag het accent op de belangrijkste havens en de toegang daartoe en op Den Haag dat onder meer voor tanks onneembaar moest worden en dat naar alle zijden verdedigbaar moest zijn. Aan de zeezijde van de vesting werden langs de boulevard en in de duinen onder meer geschutsstellingen en bunkers gebouwd. Aan de landzijde werd een tracé gekozen dat vanaf Kijkduin de loop van de Haagse Beek volgt, die in de duinen ontspringt en in de Hofvijver bij het Binnenhof eindigt. Bij het landgoed Zorgvliet (waarin het Catshuis, de ambtswoning van de premier) werd de tankgracht dwars door een villapark doorgetrokken naar de Scheveningseweg. Hierbij sneuvelde onder meer de villa van oud-premier Colijn.
De ontruiming begon op 20 november 1942 en liep door tot september 1944. Ook mensen buiten de vesting konden worden gedwongen hun huizen te verlaten. Zogeheten Nappers (mensen die niet in het arbeidsproces waren opgenomen) werden naar het oosten geëvacueerd, waardoor hun woningen vrijkwamen voor mensen uit de vesting die wel werk in Den Haag hadden. In totaal zijn daardoor 140 000 mensen (een kwart van de Haagse bevolking) door de evacuatie getroffen.
De sloop bereikte een hoogtepunt in de winter van 42/43, toen 6 000 arbeiders werden ingezet. De huizen moesten tot het maaiveld worden afgebroken en kelders met puin tot dat niveau opgevuld. Ook bijgebouwen, opstallen in de openbare gebieden, lantaarnpalen, bruggen over het kanaal naar Scheveningen, openbare gebouwen en complexen verdwenen. Ook het bekende gebouw van de Nederlanden van 1845, van architect Berlage, aan de Raamweg werd deels gesloopt.
Een droge tankgracht was minimaal 8 meter breed en diep; een natte minimaal 3,5 meter diep en 18 à 20 meter breed. Voor het graven van de grachten werden straten, pleinen, trambanen en riolen opengebroken. Ook werd het leidingennet voor gas, water en elektriciteit doorgraven. Andere gebruikte versperringen waren draketanden en betonnen tankmuren van een meter breed. De totale lengte van de vesting was 26 km, waarvan 15 km tankgracht, bijna 6 km tankmuur en bijna 5 km draketanden en dergelijke.
In het ontruimde gebied (Sperrgebiet) werden vanaf januari 1944 op last van de Duitsers ongeveer 19 000 huizen onttakeld. Dat betekende dat zoveel mogelijk hout, binnendeuren, vensters, elektrische leidingen, waterleidingen, fittingen, kranen en dergelijke werden verwijderd. Ook alle ijzeren hekken in het vestinggebied werden weggehaald. De materialen werden gebruikt voor de vestingbouw en het herstel van oorlogsschade in Duitsland. Ten slotte werd in de hongerwinter ook nog veel materiaal uit leegstaande huizen geroofd, onder meer vanwege gebrek aan brandstof.
De balans die in 1945 kon worden opgemaakt, vermeldde bijna 8 500 verwoeste en meer dan 12 000 beschadigde huizen. Want naast de sloop voor de Atlantikwall gingen bij het bombardement op het Bezuidenhout door de Engelsen op 3 maart 1945 ook nog eens ruim 3 000 huizen verloren. Bij ongelukken met V-1's en V-2's gingen honderden huizen verloren.
Architect W. M. Dudok werd belast met het maken van twee wederopbouwplannen: voor de tankgrachtzone en voor het Bezuidenhout. Van het laatste plan is weinig terechtgekomen; van het eerste zijn alleen de groengebieden met waterpartijen en strokenbouw in vier tot zes woonlagen gerealiseerd.
De gemeente wilde de verdedigingswerken die aan de bezetter herinnerden, zo snel mogelijk opruimen, maar de operatie verliep chaotisch. De rijksoverheid remde het tempo af, vanwege de kosten, maar ook omdat vanwege de groeiende 'koude oorlog' de bunkers bruikbaar werden geacht als kazematten en schuilplaatsen. Mijnen en explosieven werden wèl snel opgeruimd: in juli 1945 voeren de Scheveningse loggers weer uit. En in november werd de eerste boomplantdag voor de jeugd gehouden; kort daarna waren de Scheveningse bosjes weer grotendeels beplant.
In (duin)parken, plantsoenen en bosterreinen zijn uiteindelijk veel Duitse verdedigingswerken aan de slopershamer ontkomen. Ze werden leeggesloopt, dichtgemetseld en aan de vergetelheid prijsgegeven. Henk Ambachtsheer verwacht bij zijn speurtocht naar de overblijselen en zijn streven bepaalde objecten tot monument te verheffen, op de nodige weerstand te stuiten: “De discussie hierover wordt wegens de beladenheid van het onderwerp doorgaans gemeden. Maar tijdens het onderzoek bleek hiervan weinig. Ik ontmoette veel medewerking, vaak zelfs enthousiasme.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.