recensie Henk Vos: Filosofie van het geluk - De werkelijkheid van de geluksidee. Het Spectrum, Utrecht; 260 blz. - f 34,90.
In zijn vorige boek, 'Filosofie van de moraal', had Vos al bewezen, wijsgerige problemen en controversen helder en zonder gewichtigdoenerij uiteen te kunnen zetten. Van die vaardigheid geeft hij opnieuw blijk.
De boeken lijken een tweeluik te vormen, zo sterk lijken ze qua titel, stijl en opzet op elkaar. Ditmaal plaatst Vos zijn eigen opvattingen echter meer op de voorgrond. Weliswaar zet hij die pas in het laatste hoofdstuk uiteen, maar hij werkt er vanaf het begin naar toe. De ondertitel, 'De werkelijkheid van de geluksidee', maakt al duidelijk welke kant Vos op wil. Hij vraagt zich af hoe het kan dat het simpele begrip 'geluk', waaraan zoveel uiteenlopende betekenissen zijn gegeven, kennelijk zoveel kracht bezit dat het desondanks blijft voortbestaan. Dit moet er wel op duiden dat het een onvermijdelijk en onontbeerlijk begrip is, waarvan de betekenis niet tot andere kan worden herleid. Daarbij denkt hij met name aan het begrip 'genot', dat van oudsher met 'geluk' in verband werd gebracht of ermee is gelijkgesteld, in de diverse hedonistische theorieën (het Griekse hèdonè betekent genot).
Hoewel Vos wijst op de grote rekbaarheid van 'genot', komt hij tot de slotsom dat geen enkele vorm van hedonisme, hoe verfijnd of verheven ook, recht kan doen aan de 'geluksidee'. Genot en geluk zijn volgens hem per definitie verschillend: “De eenheid, harmonie, volmaaktheid en duur, die we met 'geluk' beogen, onderscheiden zich nu eenmaal van de veelheid, disharmonie, onvolmaaktheid en kortstondigheid van onze geneugten”.
Vroegere filosofen hadden een dergelijk onderscheid verklaard door de specifieke aard van de menselijke rede. Leibniz omschreef geluk als 'duurzaam genot', en Hobbes wees erop dat het geluksverlangen voortkomt uit de wens niet slechts één keer en één moment te genieten, maar liefst voortdurend, door het ene verlangen na het andere te bevredigen. De mens verlangt naar duurzaam genot omdat hij, anders dan de dieren, bewustzijn van tijd en toekomst heeft, en zijn leven als geheel kan overzien. Dat maakt het hem ook mogelijk zich, dankzij zijn verbeeldingskracht, een volmaakte leefwijze voor te stellen, met een maximum aan gewenst genot.
Zo'n levensideaal ligt, zoals Immanuel Kant heeft benadrukt, ten gronsdlag aan het verlangen naar geluk. Met dat ideaal voor ogen tracht de mens zijn leven in te richten.
Vos slaat een andere weg in. Volgens hem gaat geluk weliswaar vaak met genot gepaard, maar is het uiteindelijk toch van geen enkele bijzondere genieting afhankelijk. Hij schrijft zelfs dat we 'geluk' ons ook heel makkelijk voorstellen zonder genot. Nu, dat vind ik helemaal niet makkelijk. Ik vind het ronduit onmogelijk. Aristoteles, de filosoof op wie Vos zich graag beroept, had al opgemerkt dat geluk zonder genot hoe dan ook ondenkbaar is. Vos wil geluk laten bestaan in 'innerlijke, geestelijke activiteit', die op een of andere manier is gericht op de 'organisatie van een bevredigend leven'. Geluk moet dan “worden gezocht in de kleine psychische strubbelingen van het doodgewone dagelijkse bestaan - op momenten dat we voor de taak staan om een wankel of verstoord psychisch evenwicht te herstellen, of een onaf zelfbesef tot grotere wasdom te brengen”. Vos zelf merkt op dat deze opvatting wel instemming zal vinden bij psychotherapeuten. Ik wil best aannemen dat zulke activiteit bevordelijk kan zijn voor een gelukkig leven, doordat ze de ontvankelijkheid voor genietingen vergroot (wie met zichzelf overhoopt ligt, is nu eenmaal geneigd tot somberheid). Maar waarom is ze zelf al per se geluk? Vos lijkt, op zijn speurtocht naar de factor X die beantwoordt aan de 'werkelijkheid van de geluksidee', doel en middel door elkaar te halen.
Misschien is zijn huiver om geluk simpelweg als 'duurzaam genot' te beschouwen mede ingegeven door zijn wat eenzijdige, om niet te zeggen clichématige, kijk op de westerse cultuur. Onze consumptie-maatschappij berust op hedonisme, schrijft hij, ze wordt voortgedreven door een materialistisch-utilistische geluksopvatting. We zoeken, verleid door reclame, ons geluk in de bevrediging van steeds weer nieuwe behoeften. Ongetwijfeld willen de meeste mensen een comfortabel leven leiden, maar ik vermoed dat ze, gevraagd naar hun associatie bij het woord 'geluk', toch meer belang zouden hechten aan andere, niet materiële en door hun aard ook duurzamere genietingen, waaraan Vos weinig of geen aandacht besteedt. Zoals het genot van wederzijdse liefde en genegenheid, in vriendschap of gezin. Of het genot dat werk, sport en hobby kunnen bieden, door de uitoefening van vermogens en de ontwikkeling van vaardigheden.
Of ook het esthetische genot, bij voorbeeld van het kunstwerk waarnaar Vos mij wel erg nieuwsgierig heeft gemaakt, namelijk “het prachtige, en vooral daarom juist zo prachtige, vijftiende strijkkwartet van Beethoven”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.