recensie H. W. Lintsen (hoofdred.): Geschiedenis van de Techniek in Nederland, deel VI: Techniek en samenleving. Walburg Pers, Zutphen; gebonden, geïllustreerd, 323 blz. - ¿ 78,50.
'Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid, Telegraphie en Posterijen' zou het, volgens een Kamercommissie, voluit moeten heten. Het zou die onderwerpen moeten overnemen van de minister van binnenlandse zaken, voor wie het pakket zo langzamerhand echt te zwaar werd. Maar de Tweede Kamer was tegen. Zo'n minister zou telkens met voorstellen komen voor nieuwe openbare werken, die zijn departement meer glans zouden moeten geven. Een 'zeer duur minister' zou hij zijn.
Dus kwam die minister er niet in 1865. Pas in 1877 rolde er een minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid uit de formatie. Maar nog was het geen gewoon departement: met groot wantrouwen werden de dure voorstellen van de achtereenvolgende ministers, doorgaans lieden die een technische opleiding hadden genoten, in ontvangst genomen. Was het Nederlandse spoorwegnet klaar? Dan was het logisch dat er ook een kanalennet kwam. Was er een systeem van inspecties om te zien of de Stoomwet werd nageleefd, die onverhoedse explosies van dit moderne krachtwerktuig moest voorkomen? Dan was het ook mogelijk om die inspecteurs de hoeveelheid licht in de werkruimtes te laten meten, ter waarborg van het minimum aan comfort dat de Arbeidswet voorschreef. En zo ging het door. De techniek had de maatschappij veranderd en tegenstribbelend, mopperend en pijn in de portemonnee lijdend veranderde ook de overheid.
Die weinig doorzichtige wisselwerking tussen techniek en maatschappij, is het onderwerp van het zesde, afsluitende deel van de serie 'Geschiedenis van de techniek in Nederland'. In Nederland is de achtergrond van die wisselwerking eigenlijk nooit anders dan tobberig geweest. Na de Gouden Eeuw tenminste bokste Nederland voortdurend op tegen een technische achterstand en tegen het gevoel dat die achterstand iets typisch Nederlands was, waar iets aan gedaan moest worden. Maar wat? En wat zou dat niet kosten? En kregen we dan Engelse toestanden?
Om met het laatste te beginnen: ja die kregen we. Mensonterende werkomstandigheden, vrouwen die een uurtje of dertig moesten doorwerken omdat een bestelling kaarsen per se af moest, kinderen die in het donker naar hun werk gingen en in het donker weer thuiskwamen, het is allemaal ook naar Nederland gekomen, zij het wat later en ook op kleinere schaal. De verhoren van de parlementaire enquête in 1887 gaven een voor velen schokkend doorkijkje in de omstandigheden waarin de nieuwe arbeidersklasse leefde en in de gedachtenwereld van de nieuwe kapitalistenklasse.
Maar als het boek begint is die nieuwe wereld nog ver weg en bakt Nederland er helemaal niks van. Provocerend begint het met de wereldtentoonstelling in 1851 in het Londense Crystal Palace. Daar staat het technisch vernuft uit alle landen opgesteld, ook uit Nederland. Jacob van Lennep ging kijken, zag uit de verte de Nederlandse vlag hangen en
Met kloppend hart, met rassche schreden, Ben ik die vlag nabij getreden, En ik vind -een donkre woestenij. Wie is't dan die de schuld zal dragen, Mijn dierbaar Nêerland, van uw schand? Den Staatsbestuurder wil ik 't vragen: 'k Wil 't vragen aan den Frabriekant. Van dezen moet ik 't antwoord horen: De aêloude veerkracht ging verloren, De ziel voorheen van elken kring' -Van genen durf ik op mijn klachten Eén woord maar tot bescheid te wachten, Het ijskoud woord: 'Bezuiniging'.
In het vervolg van het boek wordt die vraag van alle kanten onder de loep genomen. In hoeverre lag Nederland technisch achter? Was dat werkelijk, zoals tijdgenoten dachten, te wijten aan de laksheid van de Nederlandse ondernemers? Het ligt allemaal natuurlijk veel genuanceerder. Afgaande op het aantal stoommachines lag het nieuwgevormde België straatlengtes op Nederland voor. Maar dat had nogal wat mijnen, en het verpompen van water was nu net een van de eerste toepassingen van de stoommachine. Een andere toepassing van stoom was in de fabricage van stoomwerktuigen, en samen verklaren die twee al een groot deel van de Belgische voorsprong.
Maar Nederland had het moeilijk in die tijd. De zuidelijke helft was weggelopen, de vrije handel was al sinds Napoleon geen leidend principe meer van de concurrerende landen en de technische voorsprong op een aantal gebieden, zoals de fabricage van de kleurstoffen loodwit en meekrap, werkte remmend.
Niet elk hoofdstuk van dit laatste boek in de serie is zo spannend als het eerste belooft. Het is boeiend om te lezen hoe de opkomst van dure kapitaalgoederen de ondernemers er geleidelijk toe brengt anders te gaan boekhouden, zodat ze werkelijk weten welk produkt hun wat kost. Het is roerend om te lezen hoe blij de ingenieursgemeenschap is met een ingenieur als minister van verkeer en waterstaat, en hoe verontwaardigd als de bewindsman zich als rechtlijnige techneut opstelt: hij had moeten laten zien dat een ingenieur de sociale kant van zijn werk niet verwaarloost. Maar het is nogal saai om te lezen hoe jaar na jaar bezorgde lieden zich afvroegen hoe de sociale misstanden die de technische vooruitgang met zich meebracht, konden worden tegengegaan.
Maar misschien vind ik die gedeelten alleen maar saai omdat ze zo lijken op de discussies over dergelijke onderwerpen die in deze eeuw plaatsvinden. Nog steeds is de uitstoot van arbeid door automatisering een gevoelig punt. Nog steeds wordt een discussie over b. v. genetische manipulatie gevoerd langs een spoor waarin de techniekdiscussie in de loop van de vorige eeuw terechtkwam: de technische vooruitgang is een gegeven, we moeten een manier vinden om de nadelen ervan te vermijden.
Zo is het niet altijd geweest, betoogt J. W. Schot in het concluderende hoofdstuk, en zo hoeft het niet te blijven. In een sociaal proces, dat behalve met winstbejag ook te maken heeft met psychologische factoren als toekomstverwachtingen en de wens om modern te zijn, is de samenleving van de techniek gescheiden en tegelijkertijd aan haar overgeleverd geraakt. De techniek kreeg een eigen domein, in laboratoria, en trok vandaar uit op veroveringstocht de wereld in. De samenleving kon haar niet meer sturen maar, schrijft Schot, de laatste twintig jaar is er “een nieuwe taal in ontwikkeling die het mogelijk zal maken zowel voor ontwerpers als gebruikers een constructieve relatie met techniek te ontwikkelen'.' Het zou mooi zijn, maar voor de lezer van 'Geschiedenis van de techniek komt' die stelling nogal uit de lucht vallen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.