*

 

Poncke Princen heeft nergens spijt van

Door: redactie − 29/07/95, 00:00

recensie Princen: Een kwestie van kiezen, uitgeverij BZZToH, ¿ 25,00.

En vijanden heeft Jan 'Poncke' Princen. Oud-Indië-gangers krijgen een zwart waas voor ogen als ze de naam horen van de man die tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië eind jaren veertig deserteerde en overliep naar de Indonesische nationalisten. Ze kwamen heftig in opstand toen 'deze landverrader' eind vorig jaar een visum gaf kreeg.

Hij begrijpt de weerzin. Princen is nooit gestraft voor 'mijn laakbare daad', terwijl de militairen bij terugkomst in Nederland 'nauwelijks een gebaar van erkenning hebben gekregen voor hun heldhaftige optreden'. “Als de regering zelf al niet raad wist met de blunders die er waren gemaakt en verkoos de zaak maar snel onder het tapijt te vegen, wat voor een genuanceerd oordeel valt er dan te verwachten van de jongens die daar hebben moeten vechten en die zesduizend kameraden in de strijd hebben verloren?”

Princens autobiografie is nu uit: 'Een kwestie van kiezen'. De journaliste Joyce van Fenema tikte zijn verhaal op. “Ik heb altijd geweigerd me schuldig te verklaren en ik heb nooit spijt gehad.”

Als Princen in 1946 opgeroepen wordt naar Indië te gaan, besluit hij te deserteren. Hij zwerft door Frankrijk en komt daar de 'overtuigd existentialist' Robert tegen. Die zegt: “Jij moet helemaal het conflict niet uit de weg gaan; je moet erop af gaan. Je kunt niet zeggen: Indië is mijn zaak niet; álles is jouw zaak. Met vluchten bereik je niets. Ga terug en bekijk wat je eraan kunt doen.”

Hij gaat alsnog naar Indië, vol weerzin over de strijd die de Nederlanders daar voeren. In Bogor, waar Princen is gelegerd, gebeurt er op een avond iets 'wat de eerste kiemen legde voor mijn daadwerkelijke desertie'. Hij hoort 'knallen' en ziet even later in de operatiezaal een meisje doodbloeden. “Het was het meisje waar ik net mee gevrijd had. Haar onderbuik was helemaal opengeschoten. (...) Nadat ik bij haar was weggegaan, is ze volgens een lokale ooggetuige langs een schildwacht gelopen die haar had geroepen. Die wilde gewoon tietjes zien en kutje-voelen, zoals wij dat uitdrukten, en toen het meisje niet wilde, vond hij dat een goede reden om een salvo in haar buik af te vuren. Het was oorlog.”

Poncke besluit over te lopen. “Bij het eerste licht stond ik op en liep naar de mandiekamer. Er lag een luciferdoosje op de keukentafel. Ik gooide het omhoog om mezelf nog een laatste kans te geven aan mijn vrijwillige noodlot te ontsnappen; als de gele kant boven zou komen, zou ik teruggaan naar mijn legerplaats, lag de blauwe kant boven, dan zou ik naar Djakarta vertrekken. Het werd blauw. Ik heb mezelf wel eens afgevraagd wat ik zou hebben gedaan als het geel was geweest. Misschien had ik nog eens gegooid.”

Princen vertelt uitvoerig hoe hij, aan Indonesische kant, Nederlandse militairen overvalt en hen de wapens afhandig maakt. Er vallen doden. Bij één overval doodt hij twee Chinezen. In de pers wordt onderstreept dat deze doden 'aan Nederlandse zijde' zijn gevallen. “Dat voerde de haatcampagne op tot een persoonlijke hetze. Gemakshalve werd ik er ook maar meteen van beschuldigd acht Nederlandse soldaten te hebben vermoord bij een overval.”

Helaas blijft de precieze rol van Princen in dit deel van het boek onduidelijk. “Natuurlijk hebben wij ook hinderlagen gelegd. (...) Wat er tijdens de gevechten met Hollandse patrouilles is gebeurd, dat weet ik niet. Het verbaast me niet dat ze mij daarvoor aansprakelijk hielden; haat vraagt om een schuldige.”

Eén dag voor het einde van de tweede politionele actie wordt z'n vrouw Odah doodgeschoten door de militair Henk Ulrici. “Ze lag voor de veranda, haar hoofd door zwaar kaliber kogel kapotgeschoten. Weg, zonder afscheid. (...) De volgende dag was de oorlog afgelopen. En begon de rest van mijn leven.”

mailIcon print |