*

 

En Willem Wilmink kuiert er gemoedelijk tussendoor

PETER DE BOER − 27/01/95, 00:00

recensie Kinderen - Meer dan honderd gedichten over hun wondere wereld verzameld en toegelicht door Willem Wilmink. Prometheus, Amsterdam; 232 blz., ¿ 25.

Het kind is koning in zijn eigen rijk. Dat was zo in de tijd van Anton Pieck, Jac. P. Thijsse en Anne de Vries, en dat is in onze verknipte en verchipte tijd niet anders.

Hoe levend de kinderlijke ideaalwereld à la Pieck nog is, blijkt telkens weer rond kerst, wanneer we elkaar postaal bestoken met suikerzoete prenten en dito heilwensen. Dit ritueel getuigt van een ontstellende gezapigheid, en toch doen we er ieder jaar weer aan mee. Omdat het zo hoort. Maar ongetwijfeld ook omdat het een maatschappelijk geaccepteerde uitlaatklep vormt voor een al te vaak onderdrukt verlangen naar de harmonie van de kindertijd.

Willem Wilmink is, gelukkig, nooit helemaal van zijn jeugd losgekomen. Hij heeft van zijn fascinatie voor kinderen zijn beroep gemaakt. Er is intussen al een hele generatie opgegroeid met gedichten en liedjes die hij voor bekende tv-jeugdprogramma's als De Stratemakeropzeeshow en Klokhuis heeft geschreven. Veel van zijn gedichten gaan dan ook over kinderen en niet voor niets gaf hij een bloemlezing uit eigen werk ooit de titel 'Het kind is vader van de man' mee.

Geen wonder dus dat juist hij de samenstelling op zich genomen heeft van de bloemlezing 'Kinderen'. De ondertitel luidt: “Meer dan honderd gedichten over hun wondere wereld”. Nu is die 'wondere wereld' niet zo braaf en archaïsch als de titel doet vermoeden. Zeker in de rubrieken 'Fabriekskinderen', 'Kinderen in de oorlog' en 'Kinderen die doodgaan' nam Wilmink gedichten op die de 'idylle' van de kindertijd toch in een dubieus daglicht plaatsen.

Maar toch. Dat de bundel opent met twee overbekende Sinterklaasliedjes, zet natuurlijk wel een bepaalde toon. Noem het maar 'knus'. En dat die knusheid, hoe schrijnend sommige gedichten ook zijn, de hele bundel door nergens helemaal verdwijnt, komt doordat Wilmink vrijwel elk gedicht van een persoonlijk commentaar heeft voorzien.

Bij een gedicht over een jongetje wiens oom timmerman is, tekent hij bijvoorbeeld aan: “Mijn eigen vrouw weet als timmermansdochter maar al te goed hoe hard de liefkozing van zo'n joviale ambachtsman kan aankomen”.

Zo kuiert Wilmink gemoedelijk tussen de gedichten door en keuvelt er lustig op los, waarbij hij overigens ook heel wat verstechnische details en curiositeiten adstrueert, die van een grote kennis van zaken getuigen. Zijn voortdurende aanwezigheid is, hoewel zeer ongewoon, zelden hinderlijk. Eindelijk eens een bloemlezer die elke vorm van ernstig-bebrilde afstandelijkheid laat varen. Dat is weer eens wat anders. De bundel als geheel wint ook bij dit biedermeierachtige commentaar, dat desnoods tegen beter weten in het verlangen naar de kindertijd als ideaal overeind probeert te houden.

De keuze mag met recht gevarieerd heten. Wilmink opereert heel bewust op het raakvlak van amusement en literatuur. Hij nam werk op van zowel moderne klassieken als Leopold, Gorter, Nijhoff, Slauerhoff en Vasalis, als eigentijdse liedteksten van onder anderen Jules de Corte, Hans Dorrestijn, Freek de Jonge en Harrie Jekkers.

Het populaire 'Ketelbinkie' van Anton Beuving paradeert hier naast Vondels 'Uitvaert van mijn dochterken' en Du Perrons 'Het kind dat wij waren' (met de bekende beginregel: “Wij leven 't heerlikst in ons vèrst verleden”). Typische biedermeier-poëten als J. P. Heije en J. J. A. Goeverneur geven acte de présence, maar ook - bien étonnés de se trouver ensemble - de door de wol geverfde performing poet Jules Deelder. Diens gedichten doen het in deze context overigens uitstekend. Ik citeer het prachtige, laconiek-beschrijvende 'Interbellum':

'We lopen langs het stille strand De lucht staat strak

Scheve bunkers in het zand De oorlog zwijgt

Opkomend tij M'n moeder pakt me bij m'n hand

Ik ben niet bang wel klein'

Wilminks voorkeurdichters zijn, gemeten naar het aantal gedichten dat hij per dichter opnam: Nijhoff (7), Hendrik de Vries (6) en J. A. dèr Mouw (ook 6). Zelf scoort hij, niet al te bescheiden, met 5 opgenomen gedichten even hoog als Elisabeth Eybers. Van Vasalis werden 4, van J. P. Heije, J. M. W. Scheltema, Annie M. G. Schmidt, Jan Hanlo en Ida Gerhardt elk 3 gedichten opgenomen. De rest moet het met minder doen.

Mooie vondsten zijn dat ene gedicht dat Henk Fedder ooit schreef, 'Joodsch kind', dat werd opgenomen in 'Geuzenliedboek 1940-1945', en een door Wilmink zelf vertaald fragment uit een middeleeuwse ridderroman van Chrétien de Troyes waarin nota bene, met een passie en verbale wendbaarheid die aan Gorter en Boon doen denken, het verschijnsel 'kinderarbeid' wordt gehekeld. Verrassend is ook het prachtig elegische, maar sarcastisch eindigende 'Kleine Anita' van Jules de Corte:

'Nu is kleine Anita nooit meer bang Niet voor de grote honden van oom Jozef Niet voor de ogen van de vreemde mensen En ook niet 's nachts, al is het nog zo donker En als het stormt vindt ze dat echt niet erg

Kleine Anita is ook nooit meer moe En nooit zal zij meer pijn hoeven te lijden En zeker niet zo erg meer als die middag Toen ze haar stervend van de straat opraapten Wat weer eens oponthoud gaf in het verkeer.'

Ik zal niet te lang zeuren over wat Wilmink niet opnam. Maar één gedicht met jeugdherinneringen van Jan Kuijper, uit zijn debuutbundel 'Sonnetten' bijvoorbeeld, had er nog wel bij gekund. En waarom ontbreekt Vestdijk, die toch heel wat voortreffelijke poëmen aan zijn jeugd heeft gewijd? Is diens visie op de kindertijd, behalve nostalgisch, misschien iets te cynisch en spotziek naar Wilminks smaak? En geldt dat soms ook voor L. Th. Lehmann, die ooit schreef: “Zo doen nu eenmaal ouders, / dat zijn volwassenen / en nimmer te vertrouwen”?

Maar alla, wat Wilmink wél bijeengelezen heeft, is toch heel mooi. Men heeft het maar voor lief te nemen dat poëzie bij hem niet alleen mooi, maar zo mogelijk ook gezellig moet zijn. Deze kerstkaarten-mentaliteit is niet aleen zijn zwakte, het is ook zijn grote kracht.

mailIcon print |