*

 

VERLOS ME VAN DE EEUWIGE STRONTRobert Pinget hanteert humor als wapen tegen de absurditeit

JORIS VERMEULEN − 20/02/98, 00:00

recensie Om een lang verhaal kort te maken: Robert Pinget was een Frans-Zwitserse schrijver die vorig jaar in augustus het leven liet, hij wordt vaak gezien als een van de groten van de zogeheten nouveau roman, zijn oeuvre zou misschien wel eens samengevat kunnen worden als een eindeloze absurdistische wanhopige maar altijd melodieuze en vaak ook humoristische zoektocht in spreektaal naar zichzelf, en dat laatste is inderdaad een cliché.

Bovenstaande intro is een betreurenswaardige poging om in de onnavolgbare stijl van Robert Pinget (1919-1997) diens bijzonder originele oeuvre samen te vatten. Het zal niet meer gebeuren. In 1956 publiceerde Pinget zijn vierde roman, 'Graal Flibuste' - 'Vrijbuitersgraal' -, zijn eerste bij uitgeverij Minuit, die rond die tijd faam verwierf als het laboratorium van de nouveau roman. Schrijvers als Alain Robbe-Grillet, Michel Butor, Nathalie Sarraute en Pinget vonden dat de klassieke roman à la Balzac zijn tijd had gehad. Hun werk biedt een hypergedetailleerde of absurdistische lezing van de wereld, met een afwijkend perspectief. Alwetende vertellers zijn uit den boze, evenals pakkende intriges. Het schrijfproces en de uiteindelijke vorm van het verhaal zijn doorgaans belangrijker dan de inhoud.

De moraal van de nouveau roman - de wereld valt niet te bevatten - was al eens eerder gehoord, maar de vorm was in die tijd beslist verrassend. De doorsneelezer was er niet gelukkig mee. Die haakte snel af, geïrriteerd door het onconventionele, weinig meeslepende relaas. Groot voordeel van deze 'experimenten' is dat ze bijzonder tijdloos zijn. Verwijzingen naar het toenmalige leven van alledag ontbreken nagenoeg, waardoor ze ook in het hier en nu dus niets aan actualiteit kunnen hebben ingeboet.

Classificaties zijn een gevaarlijk fenomeen. Robert Pinget zei altijd dat hij wel vereerd was met de titel 'nouveau romancier', maar dat hij zich eigenlijk alleen met de nouveau roman verwant voelde voorzover hij veel aandacht besteedde aan de vorm van zijn boeken. In een nawoord bij zijn roman 'Le Libera' - 'Verlossing' (1968) schreef hij:

“Ik meen dat het belang van mijn werk tot nu toe het zoeken naar de juiste toon is geweest. Het is een formeel probleem, dat misschien verklaart waarom ik deel uitmaak van wat vaak de nouveau roman wordt genoemd. Het zou echter een vergissing zijn me te zien als een aanhanger van de 'school van het observeren'. Als we in termen van objectiviteit denken, dan is het oor net zo tiranniek als het oog. Dit neemt niet weg dat de toon in al mijn boeken anders is. Mijn zoektocht op dit gebied zal nooit voltooid zijn. Steeds weer uit hang naar het nieuwe een keuze te moeten maken uit een van de miljarden tonen die mijn oor opvangt, dat is mijn lot.”

Pinget speelde cello en was een groot liefhebber van Bach en andere componisten uit de barok. Zijn belangstelling voor de muziek vindt een directe weerslag in zijn oeuvre. Veel van zijn boeken hebben een parlando-toon, bestaan uit een onafzienbare stroom woorden die met veel gevoel voor ritme wordt uitgebraakt door een ik-figuur. Deze probeert zich niet mooier voor te doen dan hij is, gooit alles eruit wat hem invalt, met alle gevolgen van dien: herhalingen (variaties), contradicties (dissonanten), enzovoort. Een van Pingets romans heet 'Passacaille' (1969), naar de dansmuziek die volledig is opgebouwd uit variaties op een thema.

In 'Le Libera' wordt deze schrijfstijl tot het uiterste doorgevoerd. Het flinterdunne verhaal doet er volstrekt niet toe: “De kleine Ducreux, vier jaar oud, een mooi blond jongetje met bruine ogen, plotseling gewurgd vlakbij Chatruse, ze hadden hem drie dagen later pas gevonden, zijn ouders waren verschrikkelijk verdrietig, het hele dorp sprak erover, zo'n drama hadden we niet meer meegemaakt sinds achttienhonderddrieënzeventig.”

De dood van het jochie is de aanleiding voor een hallucinerende diarree van roddel en achterklap waarin Alex van Warmerdam-achtige figuren verwoed hun bijrolletje trachten te spelen. In zekere zin doet het denken aan de latere romans van Céline. De titel van het boek verwijst naar het 'Libera me Domine de morte aeterna', dat bij Pinget snel even beentje wordt gelicht: “Libera me Domine. . . de merda aeterna met excuses voor de woordspeling. Al dat geroddel van die dames, het houdt je in ieder geval weer even bezig.”

Voor de lezer werkt de voortdurend opduikende humor in het oeuvre van Pinget in eerste instantie als een smeermiddel. De schrijver zelf hanteert het vooral als een wapen tegen de absurditeit van alledag. Libera me van het gekakel. Verlos me van de chaos in mij. Verlos me van de eeuwige dood. Op dit punt doet hij sterk denken aan zijn grote vriend Samuel Beckett.

Gevraagd naar zijn reactie op het woord humor, zei Pinget: “Bestaat er een betere smaakmaker in de literatuur? En in het dagelijks leven? Vóór alles om jezelf lachen, ja, maar het is bekend dat komische auteurs in het algemeen zwartgallig zijn.” Z'n zelfspot maakt hem voor sommigen minder interessant, omdat die het Grote Lijden van de Schrijver onderuithaalt. Het levert echter momenten van ontspanning op, die zijn toch wel wat abstracte werk toegankelijker en menselijker maken. Het is evident dat Pingets boeken veel meer bieden dan louter vorm en toon. In het nawoord van 'Le Libera' schreef hij: “Ik ben ervan overtuigd dat de samenhang tussen vorm en inhoud de enige poetische realiteit is.” Voortdurend passeren bepaalde thema's de revue, zoals de absurditeit van het bestaan, communicatie, lichamelijkheid, het onderbewuste. Pinget had er een vreselijke hekel aan om in het dagelijks leven over zichzelf te praten. Hij wilde eigenlijk niet veel meer loslaten dan dat hij in 1919 in Genève werd geboren, eerst even advocaat was maar na de oorlog naar Parijs vertrok om daar schilder te worden. Dat plan gaf hij een paar jaar later op, om zich volledig aan het schrijven te wijden. “Ik vertel over mezelf in mijn romans, of liever, de verteller vertelt over zichzelf”, zei hij tijdens een interview. En zelfs dat gaat niet van harte. Het indringende 'Quelqu'un' (1965) - 'Iemand' -noemde hij zijn meest persoonlijke roman. De ik-figuur runt met veel tegenzin samen met zijn compagnon Gaston een armzalig pension met een 'afschuwelijke' tuin. “We konden er niet onderuit, er moest iets te vreten zijn.” Op een gegeven moment raakt hij een stukje papier kwijt. Het hele boek is gecomponeerd rond de zoektocht naar dat papiertje, waarop hij zijn levensverhaal had willen schrijven.

Helaas: “Ik was niet in de stemming om iets te vinden. Het vergt een heel bijzondere stemming die als enige in staat is het wonder teweeg te brengen. . . Ik ben me ervan bewust dat het geen zin meer heeft om mijn papiertje te zoeken. Ik herschrijf mijn leven, ik maak weer een uiteenzetting als al die andere, wat ik eigenlijk niet wilde, ik heb me erdoor laten meeslepen.” De hoofdpersoon wil graag het onderbewuste z'n werk laten doen, zijn onderhuidse angsten lozen, en trapt dan toch weer op de rem van de rede.

De eindeloze monologen van Pinget laten zich lezen als een soort afleidingsmanoeuvre; tijdens zijn pogingen te communiceren draait de verteller om de hete brij, zichzelf, heen. “Raadselachtig zijn is het onzegbare respecteren”, aldus Monsieur Songe in 'Taches d'encre' (1997). De man van 'Quelqu'un' heeft een stel koffers klaarstaan, maar pakt ze steeds weer uit. Hij probeert tot de kern door te dringen, maar wordt telkens afgestoten. Dat levert een mooie spanning op.

De Utrechtse uitgeverij IJzer heeft er de afgelopen drie jaar voor gezorgd dat Pinget in Nederland wat beter vertegenwoordigd is. In de jaren zestig werden twee van zijn romans vertaald, 'Le fiston' (bij Polak & Van Gennep) en het lijvige 'L'inquisitoire' (bij De Tijdstroom). Daarna bleef het stil, terwijl de Zwitserse Fransman onverdroten doorzwoegde, meer dan dertig romans en theaterstukken producerend. In 1995 publiceerden IJzer-directeur Willem Desmense en vertaler Jan Rijnsburger dan eindelijk 'Iemand', het jaar daarop 'De verlossing'. En nu is 'Vrijbuitersgraal' verschenen, een vertaling van 'Graal Flibuste' uit 1956.

'Vrijbuitersgraal' heeft nog niet de duidelijke Pinget-stijl, maar vormt wel een erg toegankelijke inleiding op de latere thematiek. Pinget speelt hier leentjebuur bij allerlei collega's, het duidelijkst bij Cervantes, van wie hij een groot fan was. Het reisthema, de speurtocht, is in volle glorie aanwezig: de ik-figuur trekt onder vage voorwendselen samen met de koetsier Brindon en het pratende paard Clotho door een volslagen absurd Wonderland, om uit te komen bij de tempel van Vrijbuitersgraal, 'de god van ingebeelde hartstochten en heerser over de wereld', tevens beschermheer van het bankwezen.

Onderwijl stuiten ze op curieuze wezens als modderhazen, kamferfagen en kaarseekhoorns, worden verleid door de hertogin van Bois-Suspect, en wat al niet meer. De ik-figuur noteert al hun avonturen, zich haastend “de lezer te waarschuwen dat dit boek, net als degene die het geschreven heeft, er naarmate het einde nadert steeds minder toe doet, tegen de normale gang van zaken in”.

Brindon moet alles vertellen wat hem dwarszit, want dat helpt de verteller om 'mezelf te vinden'. De twee filosoferen tijdens hun tocht over vrijheid, over het egoïsme van sociale wezens, over de liefde. Brindon constateert op een gegeven moment: “Volgens mij is dit alles al eens eerder gezegd. . .” Zijn reisgenoot: “En op een veel bloemrijker manier zelfs, dat geef ik toe. Maar vergeet niet mijn zwak voor gemeenplaatsen.”

mailIcon print |