recensie Het huis was te klein bij GroenLinks, toen het Kamerlid Mohamed Rabbae enkele jaren geleden begrip opbracht voor moslims die 'De Duivelsverzen' van Salman Rushdie als godslasterlijk veroordeelden. De partijraad eiste unaniem en op hoge toon een openbare boetedoening van Rabbae, anders dreigde verstoting.
Klaarblijkelijk realiseerde GroenLinks zich geen moment dat deze reactie op gespannen voet stond met het eigen ideaal van de multiculturele samenleving. Ofschoon pluriformiteit van morele opvattingen juist het kenmerk van zo'n samenleving is, verlangde de partij aanpassing van Rabbae aan de eigen zeden en gewoonten.
In deze benadering vindt de multiculturele samenleving haar grens bij opvattingen die strijdig zijn met de beginselen van liberaal-democratische rechtsstaat, zoals in dit geval de vrijheid van het woord. Oftewel, het is mooi, die multiculturele samenleving, mits al die culturen zich aan ons aanpassen en geen enge meningen verkondigen. Multicultureel is dat overigens niet.
De Maastrichtse filosoof Sjaak Koenis signaleert in zijn boek 'Verlangen naar gemeenschap' dat tolerantie, een waarde waarop Nederland zich laat voorstaan, met de komst van migranten een andere betekenis heeft gekregen. Was het vroeger een manier om met religies als de protestantse en de katholieke vreedzaam in één land te leven, nu is het een waarde die islamieten als Rabbae moeten accepteren op straffe van verstoting uit de Nederlandse gemeenschap.
“Van politiek integratiemechaniek is tolerantie een ideologisch instrument geworden om de grenzen tussen wij en zij, tussen Nederlanders en anderen, af te bakenen”, schrijft hij. Zijn stelling is dat de beoordeling van de tolerantie van anderen een middel is geworden om intolerant tegenover hen te zijn. De kwestie-Rabbae laat zien dat Koenis hier een punt scoort. Hij werpt zich met zijn boek in het politieke debat over de rol van normen en waarden, gemeenschapszin, identiteit. Ergernis is zijn inspiratiebron. Koenis ergert zich aan het gemak waarmee begrippen als samenleving en gemeenschap, moraal en politiek in een en dezelfde betekenis worden gebruikt, waarbij het wezenlijke onderscheid tussen die begrippen wegvalt. Met misnoegen neemt hij waar dat achter het verlangen naar gemeenschap dat Nederland volgens hem in zijn greep heeft, ook weerzin tegen het vreemde schuilgaat.
In een pluriforme en veelkleurige samenleving als de Nederlandse is dat volgens Koenis een bedreigende ontwikkeling. Op de loer ligt de tirannie van de meerderheid die in naam van de gemeenschap haar normen en waarden oplegt aan minderheden.
Zijn redenering vangt aan met de klinkende stelling: “Het is een hardnekkig misverstand dat politiek gaat over het scheppen van gemeenschap.” Het bestaansrecht van de politiek schuilt juist in het feit dat gemeenschappelijkheid in een samenleving met verscheidene, elkaar bestrijdende gemeenschappen een illusie is. De kerntaak van de politiek is in Koenis' visie dat zij de gevolgen van het ontbreken van gemeenschappelijkheid opvangt, door in wetten en regels rechtvaardigheid, solidariteit en burgerschap te organiseren. Van politiek kan dus alleen sprake zijn onder de conditie van pluriformiteit en diversiteit.
Dat misverstand over de politiek die gemeenschap schept, komt volgens Koenis voort uit een andere, hardnekkige denkfout waaraan de politieke partijen zich bezondigen. Hoe uiteenlopend de partijpolitieke debatten over de moraal inhoudelijk ook zijn, alle partijen gaan uit van het idee dat de maatschappij bijeen wordt gehouden door gedeelde normen en waarden. Cruciaal is juist dat zo'n publieke moraal in werkelijkheid niet bestaat. Mensen die fundamenteel verschillend denken over 'het goede leven', schrijft Koenis, vinden van elkaar niet dat ze deel uitmaken van één en dezelfde gemeenschap: “De christen-democraat zal de atheïst wel als landgenoot, niet als lid van zijn gemeenschap erkennen.”
Daarmee wordt ook het verschil tussen gemeenschap en samenleving duidelijk. Een gemeenschap wordt gekenmerkt door gedeelde opvattingen over het goede leven, een samenleving juist door diversiteit op dit vlak. Wie, zoals de politieke partijen, streeft naar gedeelde normen en waarden miskent dat verschil.
Dat kan voor de opstelling tegenover migranten vergaande consequenties hebben. Normen en waarden bepalen niet alleen wie tot een gemeenschap behoort, maar ook wie buiten die kring staat. Uitsluiting van niet-leden is net zo karakteristiek voor gemeenschappen als insluiting. Met andere woorden, wie de samenleving wil omvormen tot één gemeenschap miskent het recht van anderen om hun eigen opvattingen over het goede leven in theorie en praktijk na te leven. Koenis: “Normen en waarden binden, inderdaad, maar ze ontbinden ook.” Dat heeft Rabbae ondervonden.
In het verlengde van deze waarnemingen staat Koenis stil bij een andere misvatting die het minderhedenbeleid tekent, namelijk dat elke gemeenschap haar eigen cultuur kent. Dat bestrijdt hij. Onze sociale wereld laat zich niet netjes verkavelen in aparte culturen. Het kenmerk van de multiculturele samenleving is dat elk individu, tot welke gemeenschap hij ook behoort, deelneemt aan verschillende culturen. Koenis: “Het denkbeeld dat één cultuur naadloos past op één gemeenschap, was misschien nuttig om de verschillen tussen westerlingen en Trobrianders te typeren, maar deugt niet voor moderne pluralistische samenlevingen die worden gekenmerkt door heterogene culturele bronnen.”
Dat gewraakte denkbeeld wint niettemin veld in het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Dat blijkt uit de tendens om vreemdelingen die in Nederland willen wonen steeds indringender voor te houden dat ze daarmee ook voor onze cultuur moeten kiezen.
Hoe steekhoudend verder ook, op één punt vind ik Koenis' betoog minder overtuigend. Hij trekt uit zijn verhaal de conclusie dat politieke partijen niet mogen moraliseren. Immers, zij kiezen als zij normen en waarden aanvoeren partij voor één gemeenschap. Het enige argument dat zij daarom tegen racisme mogen gebruiken, meent Koenis, is dat discrimineren van de wet niet mag. Moreel geladen overwegingen als de strijdigheid van discriminatie met normen als gerechtigheid en menselijke waardigheid dienen voor partijen taboe te zijn.
Het is de vraag of politieke partijen in dat soort moeilijke vraagstukken voldoende overtuigingskracht hebben, als zij zich moeten onthouden van een moreel beroep op mensen. De politiek van Koenis is wel een erg vlakke en pragmatische. Wat is ertegen als politici als representanten van één van de gemeenschappen in de samenleving hun eigen normen en waarden uitdragen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.