recensie AMSTERDAM - In het onlangs verschenen jubileumboek '..een kern van broederschap' geeft de theosoof Ruud Jansen in twintig hoofdstukken een interessante schets van honderd jaar Theosofische Vereniging in Nederland. De titel van het boek verwijst naar de eerste doelstelling van de vereniging: 'het vormen van een kern van de universele broederschap der mensheid, zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, kaste of huidskleur'.
Hoewel uiteraard in eigen kring samengesteld is het geen kritiekloos, zelfbevestigend boek geworden. Eerlijk bericht Jansen over alle scheuringen en afsplitsingen die de vereniging heeft meegemaakt en waarin zij, ondanks haar ideaal van broederschap, niet onderdoet voor veel kerkgenootschappen hier te lande.
Ook stelt hij de vraag aan de orde of de vereniging anno nu nog wel bestaansrecht heeft. In haar hoogtijdagen telde de Theosofische Vereniging Nederland 2673 leden en 40 loges. In 1963 had ze nog 1313 leden, een aantal dat in 1996 was gedaald tot een zeer bescheiden 528. Als oorzaken voor dit ledenverlies noemt Jansen de ontzuiling, democratisering, stijging van opleidingspeil en welvaart en de daaruit voortvloeiende individualisering. “Veel mensen wilden voortaan zelf beslissen. Zij hadden weinig vertrouwen meer in 'leiders' die voor hen dachten of in een voorgekauwde levensbeschouwing.”
Toch bleef de behoefte aan spirituele zingeving bestaan. Dit vacuüm werd ten dele opgevuld, aldus Jansens analyse, door de activiteiten van de emancipatiebeweging, Amnesty International, de milieubeweging enzovoorts. Maar de individualistische instelling bleef, en daarmee de beduchtheid van velen zich te binden, aan welke organisatie dan ook. Sinds de jaren zestig is deze mentaliteit nog versterkt door de opkomst van de New-Age-beweging. Jansen suggereert, en waarschijnlijk niet ten onrechte, dat de New-Age-beweging velen heeft aangetrokken, die bij ontbreken van deze stroming wellicht hun heil bij de theosofie hadden kunnen vinden. De theosofie is immers een van de bronnen van het New-Age-gedachtegoed. Hedendaagse denkbeelden over onderwerpen als aura's, energieën, de sferen in de kosmos, hoger Zelf, karma en reïncarnatie en leven na de dood zijn eind vorige, begin deze eeuw al door de Theosofische Vereniging verspreid.
Reli-shoppende New-Agers houden zich echter doorgaans niet bezig met het onderzoeken noch met het theoretisch doordenken en ordenen van al deze denkbeelden tot een samenhangende wereld- en levensbeschouwing. De theosofen doen dat wel en moeten daar, hoewel bescheiden in aantal, dan ook vooral vol vertrouwen mee doorgaan, vindt Jansen. Wat overigens naar zijn mening niet wegneemt dat de Theosofische Vereniging zich sommige vragen waaraan de New- Age-beweging appelleert, zeker zou moeten aantrekken. Vragen als: 'Welke plaats neemt de ervaring binnen de theosofie in?' en: 'In hoeverre is de theosofie toepasbaar in de dagelijkse praktijk?'
Natuurlijk staan er in een jubileumboek van een vereniging veel feiten en weetjes, die voor niet-leden weinig interessant zijn. Desondanks is Jansen er goed in geslaagd om de Theosofische Vereniging en haar geschiedenis ook voor leken dichterbij te brengen. Leuk zijn de verhalen over het ontstaan van de Nederlandse afdeling. De eerste theosofische loge, 'Post Nubila Lux' (Licht na Duisternis) in Den Haag, blijkt in 1881 te zijn opgericht door Adelberth de Bourbon. Hij is een van zonen van Carl Wilhelm Naundorff - een Pruisische horlogemaker die zich uitgaf voor de in 1785 geboren zoon (Lodewijk XVII) van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette. De 'logebul' die De Bourbon van de Theosophical Society ontving, was nog ondertekend door Helena Petrovna Blavatsky zelf, die samen met kolonel Henry Steel Olcott, die zij tijdens haar onderzoek naar het spiritisme had leren kennen, in 1875 de Society had gesticht.
Grappig is dat Willem Barend Fricke en mevrouw P. C. Meuleman-Van Ginkel, de 'vader' en 'moeder' van de in 1897 in Amsterdam opgerichte Nederlandse afdeling van de Theosofische Vereniging, elkaar ook hebben leren kennen via het spiritisme.
Natuurlijk ontbreekt ook Krishnamurti niet in het jubileumboek, die begin deze eeuw door de theosofen werd 'ontdekt' en opgevoed en voorbereid op de taak van 'wereldleraar'. Ook aandacht voor de in 1911 opgerichte internationale 'Orde van de Ster in het Oosten' die het optreden van de nieuwe leraar zou dienen. Het Europese hoofdkwartier van deze orde werd gevestigd in Ommen, op een landgoed dat door baron Philip van Pallandt van Eerde geschonken werd.
Jansen portretteert een aantal theosofische loges en belangrijke figuren uit de Nederlandse afdeling, bespreekt de invloed die de theosofie heeft gehad op kunstenaars, schrijvers en musici, zoals Piet Mondriaan, Frederik van Eeden en Daniël de Lange. Ook uit de theosofie ontstane bewegingen, zoals Rudolf Steiners antroposofie, en aan de theosofie verwante stromingen zoals de vrijmetselarij en de Rozenkruisers komen aan de orde.
Aardig om te weten is, dat de theosofische Stichting Proklos sinds 1958 een bijzondere leerstoel heeft in Leiden. Tegenwoordig is het prof. dr. W. H. van Vledder, die daar - vooral door niet-theosofen - goedbezochte colleges geeft over 'de metafysica in de geest van de theosofie'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.