*

 

Zo morrelt Wind aan de grens tussen leven en dood

PETER DE BOER − 03/10/97, 00:00

recensie Harmen Wind is een dichter uit het traditionele segment van onze poëzie. Hij debuteerde in 1989 met de sonnettenbundel 'Het gesticht', en hoewel de vrijere versvorm in zijn latere werk de overhand heeft gekregen, heeft hij het aloude clinckdicht met zijn vertrouwde formele patronen nooit geheel losgelaten. Zijn behoefte aan houvast is hieraan ongetwijfeld niet vreemd.

Ook in zijn nieuwe, vierde bundel 'Plaatselijke tijd' staan weer enkele sonnetten en in één daarvan heet het: 'Want op papier ben ik niet bang. / Hier gelden vastgestelde wetten / die mij uit razernij ontzetten / en redden van de ondergang'.

De bundel bevat vier afdelingen van elk elf gedichten. Afgezien van het cosmetische aspect (het oogt netjes) doet deze indeling nogal willekeurig aan. De gedichten uit de diverse afdelingen zijn onderling verwisselbaar en handelen alle min of meer direct over de onherroepelijke teloorgang van het bestaande. De weemoed om het voorbijgaan der dingen is overal voelbaar. Zo bijvoorbeeld in deze ontluisterende idylle van huiselijkheid en huwelijksgeluk:

Wij zitten in de kamer stil voorbij te gaan. Wij weten wie wij zijn maar bij benadering. Wij wassen ons en raken elkaar aan en delen eenzaamheden onderling.

Dit huis, dit aan de grond gelopen geloof in plaatselijke eeuwigheid, staat met de deuren en de ramen open naar wind en weer te staren in de tijd,

de ogenblikken die de jaren stalen; tot wij, voorbij de uiterlijke schijn, alleen nog zullen wonen in verhalen, waarin wij weerloos en verzonnen zijn'.

Berustend en illusieloos, in subtiele beelden, loopt het gedicht vooruit op de onvermijdelijke dood, waarna nog slechts de verhalen over het voorbije leven resten.

Het is dus het oude liedje dat Wind opnieuw tot klinken brengt. Zijn visie op leven en dood is weinig verrassend, maar de wijze waarop hij haar ventileert haalt meer dan eens het beste uit de klassieke poëtica naar boven. Bij al zijn nostalgie wordt hij toch nooit zeurderig, daarvoor heeft hij net te veel dartelheid en (wrange) humor in huis. Ook de stijlwisselingen (van behaagzuchtig anekdotisme tot modern staccato) behoeden zijn verzen voor monotonie. Bij Wind kan de dood het ene moment als een schip op de rivier het gedicht komen binnenglijden ('vredig passeert ons de Gedenkt te sterven'), om elders weer op te duiken in het modern-talige gewaad ('Stof. Geen verhaal') van de autonome beeldspraak.

Veel van deze gedichten willen, denk ik, gelezen worden als een soort troost. Er wordt niets toegedekt, het levensechec wordt er zonder oogkleppen op uitgebeeld, maar dat gebeurt zo subtiel en gevoelvol, dat er min of meer mee te leven valt. 'Wat gebeurt gebeurt', staat er ergens, en van dat in sommige opzichten ontstellende besef gaat niettemin een zekere rust uit. Zo nu en dan doet Wind openlijk aan emotionele debunking. 'Wintergezicht', waarmee de bundel opent, laat van de herinnering aan een op het eerste gezicht heerlijk schaatstochtje uit zijn jeugd weinig heel in de slotstrofe: 'Ja, dit is vroeger: een witte jongen met / een lamme mond en morsdode handen,/ vastgesnoerd op Friese doorlopers./ Rotganzen, leuterend over hem heen'.

Van de vier afdelingen is de eerste, 'Illusies', het interessantst. Hierin staat de poëzie zelf, in het bijzonder haar rol in de strijd tegen het verstrijken van de tijd, centraal. Dat een gedicht het moment conserveert en voor teloorgang behoedt is een visie die Wind niet zonder meer onderschrijft. Het gedicht mag dan iets 'vereeuwigen', maar dat gaat wel ten koste van de hartenklop van de tijd die aan het leven zijn dynamiek geeft. De kunst vereeuwigt het leven als het ware door het op te zetten en tot stilleven te transformeren. 'Het leven houdt in deze dood / onachterhaalbaar halt', schrijft Wind.

In 'Opgave' werkt hij de tweeslachtige positie van de dichter nader uit. Enerzijds wil hij de dingen benoemen, zodat de wereld houdbaar en leefbaar wordt, anderzijds is er de behoefte te zwijgen en de dingen 'met zichzelf alleen te laten, zuiver / in wat ze zijn, raakbare onaantastbaarheid'. Een onoplosbaar dilemma en misschien ook wel dé paradox van de (moderne) poëzie. Als ik mij niet vergis is ook 'Nachtvlucht' een symbolische toespeling op de dubieuze 'macht' van het gedicht tot bestendiging. Het gaat over een uil, maar tussen de regels door evenzeer over de dichter zelf:

Het huilen uit de diepte in zijn buik drijft hem op vleugels. Gevoed door honger schrijft hij elke nacht zijn parabool. De aarde klampt zich aan zijn zinnen.

Dit leven kent geen tijd. Hij bidt. Het ogenblik komt als gegeven: de uileballen rennen door het gras en als de weerlicht valt hij aan zijn roof ten prooi'.

Het gedicht zit vol omkeringen: 'gevoed door honger' bijvoorbeeld, of de voorstelling van de nog levende (!) prooidieren als 'uileballen'. De mooiste omkering staat aan het slot, waar de uil zelf tot prooi wordt (van zijn eigen jachtinstinct). De uil/dichter jaagt met al zijn zinnen op te bestendigen levensfragmenten, maar met dat hij dat doet schrijft hij het leven, dat wil zeggen de tijd, er uit weg. Vandaar dat het leven zich al in het doodskleed ('uileballen') hult voor het goed en wel gevangen is en de dichter aan zijn eigen streven ten prooi valt.

Zo morrelt Wind op zijn eigen, door de traditie bepaalde wijze aan de grens tussen kunst en werkelijkheid, leven en dood. Hij doet dat in de toonaard van de intelligent-gevoelige weemoedslyriek. Er zijn spectaculairder dichters dan hij, maar daarmee is hij nog de slechtste niet.

mailIcon print |