recensie 'Morgen is vandaag begonnen' heette een bundel verkenningen van een paar decennia geleden over de toen nieuwe wetenschap van de futurologie, de toekomstkunde. Met de futurologie als aparte wetenschap heeft het nooit erg willen vlotten, maar de titel van die bundel is nog nooit zo waar geweest als aan het eind van het tweede millennium.
We worden als Nederlandse burgers van alle kanten bestookt met toekomstscenario's waarover we zo nodig moeten meepraten. Instituten en niet te vergeten het paarse kabinet ontwerpen allerlei plannen die tot ver in de volgende eeuw reiken.
Tien jaar geleden hoorde je vaak de leus 'Nederland is af'. Ons kleine, dichtbevolkte landje moest het na alle grote infrastructurele projecten uit de jaren vijftig en zestig wat kalmer aan gaan doen. Er moest niet te veel meer overhoop worden gehaald. Tegenwoordig lijkt het eerder dat heel Nederland weer op de schop moet. Van de hoge-snelheidslijn en Betuwelijn tot Schiphol, van natuurontwikkelingsprojecten tot de Maasvlakte, overal zindert het van de ruimtelijke en infrastructurele plannnen.
Wat tot nu toe bij alle toekomstscenario's ontbreekt, is een expliciete partijpolitieke visie op de ruimtelijke ordening. De talloze maatschappelijke meningsverschillen over de op stapel staande projecten lopen thans nog dwars door de politieke partijen heen. Het lijkt wel of de politieke meningsvorming hierover losstaat van de waarden en belangen die traditioneel over de verschillende partijen verkaveld zijn. Helaas is dit een fataal gezichtsbedrog. Want door de ruimte in een maatschappij te herordenen, herschikt men ook politieke waarden, zoals sociale en culturele mobiliteit, emancipatie en collectieve en individuele keuzevrijheid.
“Met hun voorstellen voor aanpassing of herinrichting van de ruimtelijke ordening nemen planners en politici telkens beslissingen over de aanpassing van maatschappelijke structuren: zij maken sommige levensstijlen mogelijk en hinderen andere in hun ontwikkeling.”
Dit citaat stamt uit een verrassende recente bundel, 'Land in zicht', waarin vanuit de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, een cultuurpolitieke visie op de ruimtelijke indeling wordt ontwikkeld. Van sociaal-democratische zijde werd eerder een onderzoek naar 'de toekomst van de stad' opgezet, dat in 1994 in Rotterdam resulteerde in een grote conferentie over stedelijke politiek en stedelijke cultuur. 'Land in zicht' sluit aan op deze conferentie.
De verschillende essays in de bundel komen voort uit een projectgroep die zich mede naar aanleiding van deze conferentie vormde. Centraal thema was 'culturele mobiliteit'. De mobiliteit in de ruimte werd zo van meet af aan in een breder kader geplaatst; je kunt bijvoorbeeld ook veel (reis)ervaringen opdoen door in een aantrekkelijke en gevarieerde omgeving te wonen of door op het Internet te surfen.
Maarten Hajer en Femke Halsema, de redacteuren, zetten in hun inleidende bijdrage al meteen de toon. Ze menen dat de gevleugelde woorden 'alles moet anders opdat alles hetzelfde kan blijven' van toepassing zijn op de meeste plannen van het paarse kabinet. Die worden immers vooral gerechtvaardigd vanuit de idee dat ze noodzakelijk zijn om de positie die we veroverd hebben, te behouden. Het is hollen om op de plaats te blijven, meedoen in de race met 'de anderen', de concurrenten, om niet achter te raken. Van een doordachte eigen, laat staan een vernieuwende visie, is volgens Hajer en Halsema nauwelijks sprake.
Het zou overdreven zijn te zeggen dat een dergelijke visie in 'Land in zicht' meteen maar even ontwikkeld wordt, maar er worden ontegenzeglijk belangrijke bouwstenen voor aangedragen.
Ik noem er een paar. In een zeer leesbaar essay voert Peter Peters een doordacht pleidooi voor langzamer reizen. Hij baseert zich hierbij onder andere op de onder verkeersonderzoekers befaamde Brever-wet. Deze houdt in dat het gemiddelde aantal verplaatsingen per persoon en de daaraan bestede tijd over een zekere periode constant zal zijn.
Dat betekent dus, simpel gezegd, dat mensen over langere afstanden gaan reizen als er sneller vervoer beschikbaar komt. Peters probeert nu op ingenieuze wijze deze wet om te draaien. Het klinkt paradoxaal maar traagheid blijkt zo niet alleen meer tijd maar vooral meer fysieke ruimte te scheppen, omdat verkeer met hoge snelheid nu eenmaal letterlijk ruimte vreet.
Pauline Terreehorst onderzoekt vooral de vele nieuwe technologische mogelijkheden voor denkbeeldige, virtuele verplaatsingen. Ondanks de talloze aantrekkelijke aspecten van het leven in verschillende virtuele contexten, houdt ze vast aan de betekenis van een (vaste) plaats voor mensen. De mannelijke droom van het ongebonden zwerven door de al dan niet virtuele ruimte krijgt bij haar een tegenhanger in de stad en buurt die bepaald blijven door menselijke levensverhalen, door herinneringen, fantasieën en kansen.
Robert Kloosterman ten slotte, om nog een belangrijke bouwsteen te noemen, laat aan de hand van de opkomst van nieuwe bedrijven zien dat face-to-face-contacten ook voor de economie van uitzonderlijk belang zijn. Bepaalde soorten bedrijven bloeien op als ze ook ruimtelijk, soms letterlijk op elkaars lip zitten.
Het zal duidelijk zijn: 'Land in zicht' verschaft een belangrijke cultuurpolitieke visie op de huidige planningsbedrijvigheid. Wie de toekomst van de ruimtelijke inrichting van ons land ter harte gaat, zal er ongetwijfeld inspiratie uit kunnen putten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.