*

 

'Met al uw macht hebt ge niet gewonnen'Elsbeth Etty schetst Henriëtte Roland Holst als ethisch bevlogen pacifiste

PETER DE BOER − 25/10/96, 00:00

recensie Elsbeth Etty: Liefde is heel het leven niet, Henriëtte Roland Holst 1869-1952. Balans, Amsterdam; 743 blz. - ¿ 85.

Ik werd geboren met een aard die sterk van zelf gaat naar de kern van alle zaken maar veel stond tussen mij in en mijn werk. Groeiende, heb ik dat op zij gezet; het werd al lichter, alle duisters braken en ik zag liefde als de levenswet.

Liefde, zielsverrukking, een hunkering naar een hoger verband: met dit soort noties verwoordde de jonge debutante na het echec van het brooddronken individualisme van Tachtig zo maar even wat haar hele kunstenaarsgeneratie anno 1896 bezielde.

Van haar spreekwoordelijke zelfbewustheid had de hoogst intelligente, victoriaans opgevoede Henriëtte overigens al eerder blijk gegeven. Nog voor zij ook maar één regel had gepubliceerd liet zij Albert Verwey, die in 1890 in Noordwijk was komen wonen, in een aan hem opgedragen sonnettencyclus weten: ' 'k Reken Mij tot uw Volk'. Eerder had ze de schilder Jan Toorop in opnieuw een sonnettencyclus te verstaan gegeven: ' 'k Ben nu geen vrouw; ik ben nu enkel dichter'.

De mannen van Tachtig moeten zich gerealiseerd hebben dat dit niet de taal was van een voor een vlot 'society'-huwelijk klaargestoomd bourgeoisgansje. De hartstochtelijk-ambitieuze dichteres heeft dan ook van meet af aan op voet van gelijkheid verkeerd met haar mannelijke collega's en bewonderaars, onder wie behalve Verwey ook Herman Gorter en Willem Kloos. Kloos bijvoorbeeld reageerde op het eerste dat hij ooit van haar las met de woorden: 'laat mij maar dadelijk zeggen, dat u de grootste dichter is, die op 't oogenblik leeft'.

In datzelfde debuutjaar 1896 las Roland Horst op aanraden van Herman Gorter 'Das Kapital' van Karl Marx. Het gaf haar leven een belissende wending. Opeens was daar voor haar voordien ongerichte idealisme - haar 'drang omhoog' zoals zij het zelf formuleerde - een concrete basis. Het revolutionaire streven naar de proletarische wereldgemeenschap werd dé grote obsessie van haar leven. Samen met Gorter en haar echtgenoot, de beeldend kunstenaar Rik Roland Holst, meldde ze zich in april 1897 als lid van de SDAP aan en nauwelijks twee weken later verscheen op de voorpagina van het ADAP-blad 'De Sociaal-demokraat' al haar eerste 1 mei lied.

Ook trad zij toe tot de redactie van het wetenschappelijke maandblad van de SDAP, 'De Nieuwe Tijd'. Hierin en in vele andere binnen- en buitenlandse bladen zou zij in de loop van haar lange leven (ze stierf in 1952) een ware vloed aan artikelen publiceren. Dit journalistieke proza klinkt vaak al even geëxalteerd als haar poëzie. Over Rosa Luxemburg, Karl Kautsky en andere kopstukken die zij op het Internationale Socialistencongres in Parijs in 1900 ontmoette schreef zij bijvoorbeeld: 'in hen hebben wij lief en bewonderen we niet enkel personen maar openbaringen van het edelste in een omhoog-worstelende klasse'.

Dit soort retoriek tref je overal in haar werk aan. Haar biografieën over bewonderde helden als Garibaldi, Rosa Luxemburg, Gandhi zijn ervan vergeven. En zelfs ontbreekt het heilige ronken niet in theoretische boeken als 'Kapitaal en Arbeid in Nederland' en 'Generalstreik und Sozialdemokratie', die haar nationaal en internationaal ('Genossin Holst') roem zouden bezorgen.

Vanmiddag promoveert de neerlandica en journaliste Elsbeth Etty aan de Rijksuniversiteit in Utrecht op een goed geschreven en gedocumenteerde biografie van Henriëtte Roland Holst: 'Liefde is heel het leven niet'. Het is een interessant relaas van een buitengewoon interessant leven. Wel vind ik dat Roland Holsts poëzie er bij Etty bekaaid afkomt. De voornaamste bundels komen wel aan bod, maar te summier en te weinig coherent om een scherp beeld te doen ontstaan van haar dichterschap.

Ik voeg er onmiddellijk aan toe dat Etty mij er wel van heeft overtuigd dat Roland Holst als socialiste van internationale allure grotere hoogten heeft bereikt dan als dichteres. Wat dat betreft zet zij iets recht in de historische beeldvorming rond Roland Holst, die haar al bij haar leven tot 'de grootste dichteres van Nederland' heeft gecanoniseerd maar daarbij tevens haar rol in de vroege arbeidersbeweging, wellicht niet zonder bijbedoelingen, consequent heeft onderschat.

Dat is allemaal waar en het is ook goed dat een blijkens haar inleiding 'gender-bewuste' neerlandica dat nu eens met veel bewijs- en overredingskracht in haar proefschrift zo opschrijft. Maar evenzogoed is het waar dat dat nog geen reden is om de poëzie van Roland Holst tot een soort illustratiemateriaal te reduceren bij het politieke hoofdrelaas.

Natuurlijk is veel van die poëzie, vooral de politieke gedichten, te tijdgebonden en prekerig om nu nog te kunnen boeien. Maar ook is het zo - Etty merkt dit zelf in haar nawoord op - dat er daarnaast 'door het hele oeuvre heen' persoonlijker gedichten voorkomen die 'ook nu nog ontroeren'. Waarom dan niet de contouren van dit waardevolle deel van haar poëzie wat duidelijker en bezielder geschetst? Dat zou toch geen afbreuk hebben gedaan aan het beeld van de grote en gedreven socialiste?

Overigens is er zelfs onder de politieke gedichten nog wel het een en ander dat de moeite waard is. Een mooi voorbeeld daarvan dat Etty gelukkig ook citeert is 'Moderne Prometheus' uit de bundel 'Opwaartsche wegen' (1907).

Machtigen! Hier, nog half duizlend van uw slagen hier staan wij weder en verheffen ons weder tegen u.

Met al uw macht hebt ge niet gewonnen: hier staan wij weder ongebroke', onberouwvol, als eenmaal, als immer, en trotseeren u.

Een mooi vers, dat door de dreigende herhalingen iets krijgt van een mentale 'sur place', een gespannen stilte voor de storm.

Roland Holst komt uit het boek van Etty naar voren als een ethisch bevlogen, zij het in voorkomende gevallen niet voor pure machtspolitiek terugdeinzende 'workaholic'. Niet alleen schreef ze verschrikkelijk veel, maar ze was ook enorm actief in het praktische partijwerk. Spreekbeurten, vergaderingen, vormingscursussen, congressen en socialistische conferenties: ze ontbrak nooit ergens. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog, als bejaarde vrouw, was zij nog met allerhande antimilitaristische en antikolonialistische petities en comités in de weer. Zij kende ook iedereen persoonlijk, van Troelstra, Vliegen en Willem Drees tot Lenin, Trotski en Mohammed Hatta aan toe. Zelfs was zij als enige Nederlandse afgevaardigde betrokken bij de stichting van de Komintern.

Over haar even legendarische als manische werkkracht merkt Etty op: “Ze werd overspannen als ze niet kon werken en werkte tot zij er overspannen van raakte.” Er was trouwens wel meer dat haar regelmatig tot een staat van fysieke uitputting en depressiviteit bracht. Haar in erotisch opzicht onbevredigende huwelijk, haar man was impotent, zal daar zeker het nodige toe bijgedragen hebben. Bovendien kon zij slecht tegen de loyaliteitsconflicten waarvoor zij zich door de woelingen binnen haar partij voortdurend zag geplaatst.

Op beslissende momenten, bijvoorbeeld op het beruchte scheuringscongres van de SDAP in 1909, heeft zij keuzes gemaakt die een wig dreven tussen haar en haar beste vrienden en politieke geestverwanten. Hoezeer ze zich dat aantrok heeft zij, die in haar politieke geschriften zo radicaal verbeten uit de hoek kon komen, meer dan eens in kwetsbare dichtregels tot uitdrukking gebracht:

Mijn wezen is tot op den grond gespleten hoe heel ik wat zóó ver begint: wat heeft dit hart zoo diep uiteen gereten dat het geen eenigheid ooit vindt?'

Roland Holst heeft heel vaak omwille van haar grote droom van de wereldrevolutie geschipperd met haar idealen. Zij heeft herhaaldelijk standpunten verdedigd die indruisten tegen haar natuur en haar sterk ethisch ingekleurde ideeën. In 1921 bijvoorbeeld kreeg zij tijdens het derde congres van de Komintern in Moskou, dat zij na een gevaarlijke reis had bereikt, van Aleksandra Kollontaj al precies te horen dat de revolutie bezig was te ontaarden in een gewelddadige dictatuur.

Toch heeft ze, haar pacifistische inslag ten spijt, de Russische revolutie naar buiten toe nog tot 1927, toen Trotski door Stalin uit de CPSU werd gezet, met hand en tand verdedigd. Pas daarna wendde zij zich af van het communisme en zocht zij haar heil in een partijloos religieus socialisme. De gedeelten waarin Etty Roland Holsts telkens weer opduikende innerlijke tweestrijd - een ware knoedel van politieke en morele dilemma's - beschrijft, behoren tot de beste van het boek. Sowieso vind ik dat haar biografie, behalve een intelligent en ongeflatteerd, ook een heel invoelbaar portret van Roland Holst heeft opgeleverd. Maar het blijft jammer dat zij de 'dichteres' Roland Holst, en daarmee feitelijk ook de 'neerlandica' Elsbeth Etty, iets te weinig aan bod heeft laten komen.

mailIcon print |