*

 

Zo moet ze altijd blijven, zo moet het zonlicht voor altijd over haar heen vallen

T. VAN DEEL − 10/11/95, 00:00

recensie J. Bernlef: Cellojaren. Querido, Amsterdam; 182 blz. - ¿ 39,90 (geb.), ¿ 27,50 (pb).

Maar tezelfdertijd bezorgen de waargenomen voorwerpen hem herinneringen aan een voorbije tijd en wordt hij ervan doordrongen dat leven een gestadig sterven is: “Hij bevond zich aan de rand van een afgrond waarin dag in dag uit dingen verdwenen zonder een spoor na te laten, geruisloos. Of bleef er toch iets van ze achter, een nauwelijks hoorbare toon, een onsentimentele, flinterdunne klaagzang terwijl zij vielen en vielen?”

Plotseling valt dan zijn oog op een bijouteriedoosje met in het deksel een getekend portretje van een jonge vrouw. Het eigenaardige van de tekening is, dat alleen het profiel van haar gezicht is getekend, niet het achterhoofd. “Alsof een mens het best zo getekend kon worden, half verdwenen al, onopvallend verscholen tussen de voorwerpen op een markt, met nauwelijks iets om de aandacht te trekken. Tekening die zijn eigen verdwijning zocht.” Hij koopt het doosje en volgt de oproep die van het verdwijnende gelaat uitgaat. In de mooie, poëtische slotwoorden van het verhaal:

“Nu hoefde hij niets anders te doen dan de lijn van haar profiel te volgen, de zachte verende ronding van haar kin, de verwachtingsvol gespitste lippen, langs de neusvleugel op te stijgen naar de brug van haar neus tot waar de weg zich fronste en ophield en de mist hen beiden aan het gezicht onttrok.”

In 'Cellojaren' gaat het vrijwel steeds om grenssituaties, om herinneren en verdwijnen, vasthouden en loslaten, aanwezigheid en afwezigheid. Het is een bundel verhalen waarin op een gevarieerde en doordringende manier aan de orde wordt gesteld, dat we voortdurend aan verandering onderhevig zijn en op de dood vooruitlopen. Zo duidelijk zegt Bernlef dat natuurlijk niet, maar het is wel de implicatie van veel verhalen.

Neem bij voorbeeld 'Marthe'. De schilder Bonnard fotografeerde aan het begin van deze eeuw zijn favoriete model en geliefde, Marthe, naakt in de tuin. De houdingen die zij aanneemt, zijn geen poses te noemen, ze maken deel uit van volstrekt natuurlijke bewegingen, zoals bukken en iets van de grond oprapen, op een stoel gaan zitten, op de rug krabben, een borst bevoelen en bekijken. Het vindt allemaal plaats op een zonnige plek die is omgeven door zware schaduwen van bomen.

Vijftig jaar lang heeft Bonnard vrijwel uitsluitend Marthe als model gebruikt en heeft hij haar geschilderd in de meest huiselijke omstandigheden: bloemen schikkend, aardappels schillend, zich wassend, naakt liggend op bed. En al die tijd werd Marthe op zijn schilderijen niet ouder, want hij bleef haar schilderen, of liever gezegd zien, als een jonge vrouw, hoewel ze in werkelijkheid natuurlijk wel degelijk veranderde.

Bernlef heeft met deze twee gegevens, de naaktfoto's en het onveranderlijk jonge van de geschilderde Marthe, een kort verhaal gemaakt waarin hij zich inleeft in Bonnard. Hij moet, zo veronderstelt Bernlef, bij het ontwikkelen van de foto's “op het idee zijn gekomen (. . .) zo moet ze altijd blijven, zo moet het zonlicht voor altijd over haar heen vallen”. En daarom schilderde hij haar jong, zoals zij, voor altijd, voor hem was. In zijn kunst bleef ze de eeuwige jeugd behouden, ook na haar overlijden.

Dit Bonnard-verhaal staat in de titelafdeling niet alleen: het vormt een geheel met nog een aantal kunstenaarsverhalen, waarin de verhouding tussen schilder en model een rol speelt. De schilders worden overigens alleen met hun voornaam aangeduid, mogelijk om het verzonnen karakter van een en ander te benadrukken, al zijn er genoeg feitelijkheden te herkennen. Behalve dat van Bonnard krijgt zo het werk van Edward (Hopper), Rik (Wouters), Lucian (Freud), Alberto (Giacometti), Henri (Michaux) en Francis (Bacon) een verhalende interpretatie. Ze gaan allen schilderkunstig op een verschillende manier met hun modellen om, wat natuurlijk een beeld is voor de manier waarop zij naar de wereld kijken.

Freud ziet op een weergaloos intense wijze het verouderen van het vrouwelijk lichaam, Giacometti leeft zich zozeer in de wereld van de zieke Michel in, “dat er een kier ontstaat tussen wat je ziet en wat er is, een heel smalle marge”. En Bacon wil met zijn verwrongen zelfportretten het 'voortdurende verlies' uitbeelden van die talloze voorafgaande gelaatsuitdrukkingen en de strijd die gevoerd wordt met het bombardement van beelden die het gezicht binnendringen.

Ook in de eerste afdeling, 'Het begin van tranen', komen nogal wat schilders en schilderijen voor, meestal anoniem, of anders wel personages die met een soort model, een geliefde vrouw over het algemeen, worstelen. In het omvangrijke titelverhaal probeert een man af te komen van de aanwezigheid in huis van zijn gestorven vrouw. Zij heeft zich onlosmakelijk aan de dingen gehecht, waaruit ze voortdurend naar voren treedt. Zelfs het wegdoen van zo ongeveer alle huisraad helpt niet, zij blijft in de ervaring van de man rondwaren in het huis, dat zij als het ware in bezit heeft genomen. Dan vertrekt hij en gaat hij naar 'het noorden', een tocht die naar zijn definitieve verdwijning tendeert.

Schitterend is 'Een portret op afstand', ongeveer het omgekeerde van het vorige verhaal. Hierin diept de man van een wereldberoemde, gestorven filmster - een soort Marilyn Monroe - zijn herinneringen aan haar op, die bedolven waren onder de publieke beelden. Hij doet dat door middel van een uiterst nauwkeurig bekijken van haar films: “Binnen het verhaal bleek er opeens ruimte voor mijn herinnering, voor ons verleden. Juist in de miniemste gebaren, het nauwelijks waarneembare trillen van een bovenlip, het bewegen van een haarkrulletje op haar voorhoofd, de verstrooide dwaaltocht van een pink langs de zoom van haar rok, school voor mij de mogelijkheid haar te ontvreemden uit het vastliggende script.”

Cellojaren, het woord bestaat niet in het Nederlands, Bernlef vond het in een Engelse krant, betekent zoiets als 'nadagen'. Hoewel niet alle verhalen hiermee geassocieerd kunnen worden, is toch wel de overheersende stemming in de bundel erdoor getypeerd en ook het feit dat de aandacht uitgaat naar het overgangsgebied, de grenssituatie. Dat is Bernlefs terrein bij uitstek, daar valt iets te ontdekken dat de vorm kan aannemen van gedichten, een roman of, zoals deze keer, verhalen. Uitstekende verhalen.

mailIcon print |