recensie Frits Boterman: Moderne geschiedenis van Duitsland 1800-1990. De Arbeiderspers, Amsterdam; geb., 629 blz. - f 75. Peter Hintzen: Duitsland - bewogen hart van Europa. Een beknopte geschiedenis. SUN, Nijmegen; 272 blz. - f 39,50.
De lezer late zich door de 'moeilijke woorden' in deze alinea niet afschrikken, want ofschoon Boterman vakjargon bepaald niet schuwt, is zijn 'Moderne geschiedenis van Duitsland' een boek geworden dat uitblinkt in helderheid.
In feite vormt het een aanmerkelijk uitgebreide versie van het recent verschenen 'De Duitse Phoenix', waarin Boterman zich met mede-auteur Willem Melching overigens tot de 20ste eeuw beperkte.
Zoals de auteur zelf al aangeeft, pretendeert het boek niet, compleet nieuwe inzichten te bieden. Het is gebaseerd op bestaande literatuur, waarvan in het bibliografisch deel een omvangrijk overzicht wordt geboden (waarin Goldhagen ontbreekt). Centraal staan drie thema's: de nationale kwestie; het vraagstuk van vrijheid en democratie; en sociale en economische zaken. Typerend voor Boterman is zijn afkeer van monocausale verklaringen voor ontwikkelingen en gebeurtenissen. Zeker de zo gecompliceerde geschiedenis van een verspütete Nation als Duitsland, waarin Traum en Trauma elkaar afwisselden en traditionaliteit en moderniteit vaak hand in hand gingen, kán met eenzijdige interpretaties ook niet worden verklaard, ofschoon Boterman zich expliciet en met reden tegen de Sonderweg-these uitspreekt.
De auteur heeft alles bijeen genomen overwicht op zijn onderwerp en dat kan niet elke (Duitse) vakgenoot hem nazeggen. Het postuum verschenen boek van Peter Hintzen (1928-1996) getuigt daarentegen eerder van een grote persoonlijke betrokkenheid bij het thema. De vraag 'Kennen wij Duitsland wel?' is voor hem de drijfveer geweest om een geschiedenis van het grote oostelijke buurland te schrijven. Die persoonlijke betrokkenheid levert een aardige sfeertekening op van de gemengde gevoelens die de auteur in zijn observatie van Duitsland en zijn bewoners hebben bevangen, maar daarnaast is hij niet zuinig met waardeoordelen die het boek een onnodig belerend karakter geven ('Gelukkig maken veroveraars fouten', '(Duitsers) pakken hun aangelegenheden meestal grondig aan').
Bovendien wijst Hintzen slechts sporadisch op onder historici levende tegenstrijdige opvattingen - al brengt hij Goldhagen wel even ter sprake - en vraagt hij te weinig naar het waarom van bepaalde ontwikkelingen. Het geeft zijn werk een meer schoolse opzet: allerlei personen en gebeurtenissen passeren de revue, keurig chronologisch gerangschikt, maar helaas buiten een groter kader en niet overal foutloos.
Ondanks zijn zorgvuldige afwegingen ontkomt overigens ook Boterman niet aan aanvechtbare opvattingen. De kwalificatie van Gustav Stresemann als de 'waarschijnlijk belangrijkste Weimar-politicus' is bijvoorbeeld niet gemotiveerd, evenmin als de constatering dat het een grote blunder van de SPD was, in 1932 niet met een eigen presidentskandidaat te komen. Was het, kan men zich afvragen, niet evenzeer een fout van de KPD om in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 1925 aan haar eigen (kansloze) communistische kandidaat vast te houden en daarmee het pad voor de monarchist Hindenburg te effenen? Daarom had de opvolging van de sociaal-democratische republikein Ebert - als uitermate belangrijke cesuur in de beschrijving van 'Weimar' en daarmee in het verdere verloop van de geschiedenis - nadrukkelijker aandacht behoren te krijgen. Dit temeer omdat Boterman elders die cruciale rol van het staatshoofd juist onderstreept.
Daartegenover staat evenwel een aantal uiterst boeiende en overtuigende hoofdstukken, zoals de schets van het ontstaan van het nationale bewustzijn in de vorige eeuw, de woelige jaren 1848/49 en - in navolging van een van de mooiste chapiters uit 'De Duitse Phoenix' - een treffende beschrijving van de Doppelstaat die het Derde Rijk feitelijk was.
Ruime aandacht is er voor het verzet, dat weliswaar te individueel, te divers van karakter en slecht gecoördineerd was, maar waarbij zeker grote persoonlijke offers zijn gebracht. Men mag over de motieven van Stauffenberg c. s. verschillend oordelen, het feit dat “een geslaagde moordaanslag op Hitler waarschijnlijk miljoenen levens (had) kunnen redden”, kan onmogelijk van ondergeschikt belang worden genoemd.
Met betrekking tot de naoorlogse periode zal Boterman niet met revolutionaire opvattingen komen. Opvallend is wel het harde oordeel over de zijns inziens overdreven en krampachtige reacties van de overheid op het terrorisme in de jaren zeventig.
Aan het slot beschrijft de Amsterdamse historicus onverbloemd (bijna had ik geschreven: onbarmhartig) het pessimisme en de gevoelens van teleurstelling die - zowel bij Ossis als Wessis - in de plaats van de blijdschap rond de Wende zijn gekomen. Die eerste euforie heeft vooral de economische en psychologische verschillen ernstig gecamoufleerd. Illustratief voor de identiteitscrisis waarin vele inwoners van de neue Bundeslünder zich bevinden, is een recente actie in oostelijk Duitsland tot behoud van het mannetje in het verkeerslicht bij oversteekplaatsen voor voetgangers. De initiatiefnemers zien het als iets '(DDR-)eigens' en geven het de voorkeur boven het 'geslachtloze' poppetje in het West-Duitse voetgangerslicht. . .
Duitsland is na 1990 opgeschoven naar Midden-Europa of liever, zoals Boterman het fraai verwoordt: “Het oosten is een stuk westelijker komen te liggen”. Een bezinning op de nationale identiteit en de plaats in een zich veranderende wereld is nog steeds actueel. De vraag 'Deutschland? Aber wo liegt es?' wordt al sinds Goethe en Schiller gesteld - en ze is nog steeds niet definitief beantwoord.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.