recensie Wie in een boekhandel alleen de achterflap van Marlene Streeruwitz' roman zou lezen, zinkt de moed vermoedelijk direct in de schoenen. Zeker wanneer je haar reputatie als feministisch toneelschrijfster kent en leest dat deze eerste roman gaat over Helene, een dertigjarige vrouw die met twee kinderen in Wenen woont en door haar man in de steek is gelaten.
De etter is gaan samenwonen met zijn secretaresse en vertikt het om alimentatie te betalen of aan enige andere verplichting te voldoen, zodat Helene permanent op de rand van de financiële afgrond wankelt. Haar beste vriendin, Püppi, ook een alleenstaande moeder, belt regelmatig midden in de nacht om te melden dat ze zelfmoord gaat plegen, maar houdt het intussen met Helene's ex-echtgenoot.
In haar parttime baantje bij een vaag reclamebureau ontmoet Helene alleen mannen die volstrekt incompetent en/of aan de drank zijn en bovendien als hersenloze automaten vallen op elk fotomodel dat toevallig hun pad kruist. Haar schimmige minnaar Henryk, een Zweedse musicus, is erotisch aantrekkelijk, maar blijkt een uitvreter, leugenaar, egoist en is in elk geval door en door onbetrouwbaar. Kortom, vrouwenellende troef.
Hoe triest en treurig ook, het lijkt op het eerste gezicht een zo uitgekauwd en gedateerd gegeven dat het nauwelijks nog een boeiende roman kan opleveren. Het prototype van de zielige vrouw die tot in alle eeuwigheid het slachtoffer zal zijn van de harteloze echtgenoot/ baas/ minnaar hebben we de laatste decennia immers al bijna tot vervelens toe gezien, nietwaar?
Tot het moment dat we het boek werkelijk gaan lezen. Dan verschuift het hele perspectief. Weliswaar is het in de derde persoon geschreven - dus alsof een verteller Helene voortdurend gadeslaat en rapporteert -, maar het perspectief is niet dat van de objectieve waarnemer. Het is uitsluitend en alleen dat van Helene zelf.
Zij reflecteert, filosofeert of psychologiseert geen moment, maar beschrijft in één lange, kolkende stroom afgebeten en versplinterd proza de wirwar van bezigheden, verlangens, zorgen en gevoelens die haar bezighouden. Het lijkt of er een bandrecorder in haar hersens aanstaat die genadeloos alles registreert.
Wat er allemaal in dat hoofd omgaat, is in de omstandigheden eigenlijk niets bijzonders, een gigantische maalstroom van jaloezie, woede, machteloosheid, behoefte aan liefde en genegenheid, seksuele begeerte, angst en onzekerheid op materieel en emotioneel vlak, vermengd met alle banale dagelijkse zorgen en bezigheden van een oververmoeide werkende moeder.
Ondanks herhaalde halfhartige pogingen slaagt ze er nauwelijks in enige greep op haar eigen leven te krijgen. Ze kan geen prioriteiten stellen en laat zich als wrakhout op de golven van gebeurtenissen en emoties heen en weer spoelen. Waardoor de lezer vanaf de eerste zin in het relaas wordt meegesleept is de hijgende, abrupte stijl waarin Streeruwitz rapporteert wat er in Helene's hoofd omgaat.
Het is een proza dat wars is van welke literaire conventie of mooischrijverij dan ook, een taal die is opgebroken en versplinterd onder de druk van het verwarde leven.
Ook in de nauwkeurige vertaling is deze gefragmenteerde stijl volledig bewaard gebleven. De vertaalster laat zich nergens verleiden tot 'gladstrijken', waardoor het verhaal zou leeglopen als een doorgeprikte ballon.
Enerzijds laten we ons dus meesleuren in het koortsachtige verslag, maar anderzijds is de combinatie van deze ongebruikelijke stijl en het overgevoelige perspectief van Helene zelf voldoende om ons in de merkwaardige situatie te manoeuvreren van de toeschouwer die meer weet dan de hoofdpersoon - ongeveer zoals de naïeve toneelbezoeker neigingen krijgt te roepen: 'Pas op! Kijk achter je!'. Of de arme Helene geërgerd in haar nekvel te pakken en door elkaar te schudden, omdat we zo meeleven dat we graag zouden willen dat ze verstandiger, misschien harder was en de rationele beslissingen zou nemen die wij als lezer haar allemaal zouden kunnen adviseren.
Toch is Helene's situatie niet uitzichtloos. In zekere zin is zij de keerzijde van haar 'beste vriendin' Püppi, ook eeen alleenstaande moeder. Püppi is veel cynischer en beschouwt haar dochtertje als een modieuze accessoire. Püppi denkt precies te weten hoe het leven in elkaar zit en gaat er dan ook definitief en fataal aan onderdoor.
Helene daarentegen heeft, ondanks alle verwarring, twee vaste punten die haar leven een zekere structuur geven. In de eerste plaats haar kinderen en de liefde voor die kinderen die haar uiteindelijk, misschien noodgedwongen, met twee benen op de grond houdt en in staat stelt betrekkelijk onbeholpen pogingen te ondernemen om haar leven weer op de rails te zetten. Boeken worden weggegooid, cd's letterlijk kapotgekookt in een poging orde te scheppen in de onoverzichtelijke chaos.
En verder is er Wenen, de stad als vertrouwde en bekende achtergrond voor haar - tijdelijk? - warrige bestaan. Niet in de zin van een 'mooie' of interessante stad, maar eenvoudig als een vertrouwd eigen territorium dat voortdurend te voet of in de auto wordt doorkruist - hier is het Südbahnhof (ik wil niet muggenziften, maar waarom dat in vertaling 'Station Zuid' moet heten is me niet duidelijk; van het Gare du Nord zou als Station Noord ook niet veel overblijven), de Gürtel, daar de Kahlenberg, Schönbrunn en alle bekende straten in het eerste Bezirk. Afspraken worden gemaakt in bekende cafés als Alt Wien, Kalb, Sacher of Prückl.
Het is of de eindeloze geografische bijzonderheden van de stad en omstreken als vaste herkenningspunten moeten fungeren waartussen het warrige spinnenweb van haar bestaan is opgehangen. Er gloort dus een sprankje licht aan het einde van de tunnel. We verlaten Helene als ze bij het Arbeidsbureau wacht. Ze heeft haar baan opgezegd, haar minnaar weggestuurd, een advocaat in de arm genomen om haar ex-echtgenoot aan te spreken op zijn verplichtingen. En ze gaat een cursus volgen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.