recensie Sytze van der Zee: Potgieterlaan 7. Prometheus, Amsterdam; 280 blz. - ¿ 29,90.
Dat is het moment waarop Van der Zee tussen zijn herinneringen zijn geloofwaardigheid verliest. Meer dan veertig jaar leefde hij met de scherven van de oorlog, en dan nog steeds niet bij machte om de brandende vragen aan zijn vader en moeder te stellen?
Bij zijn entree als adjunct-hoofdredacteur van Elsevier had hij met hoofdredacteur André Spoor over het verleden van zijn vader gesproken. Al op de eerste redactievergadering werd hij geconfronteerd met de opmerking: “NSB-kinderen die zichzelf als slachtoffer zien, het is te gek voor woorden. Hoe durven ze?”
En dan in 1988 als kandidaat-hoofdredacteur van Het Parool nooit erover nagedacht? Zelfs niet over de vraag wat de krant zou kunnen overkomen indien dat op waarheid stoelende, maar op beperkte schaal bekende, gerucht met een klap op tafel zou worden gelegd - al was het maar om hem de voet dwars te zetten, want zo eenvoudig verliep de procedure voor de benoeming van een nieuwe hoofdredacteur niet. Dat is iets te ongeloofwaardig.
Er is geen reden om een zoon de zonden van zijn vader te verwijten, maar het gegeven zou sommige Parool-lezers van het eerste uur nog behoorlijk dwars kunnen zitten. Mag dat? Nu nog? Van der Zee's antwoord daarop wordt gevormd door de laatste zinnen van zijn boek, die hij instemmend citeert uit de mond van een ambtenaar op het ministerie van justitie: “De mensen zijn nu eenmaal kortzichtig. Dat weet u zelf waarschijnlijk inmiddels wel het beste, niet?”
Kortzichtigheid, is dat wat kinderen van NSB'ers na de oorlog vooral getroffen heeft? Feit is wel dat, terwijl voormalige NSB'ers konden boeten voor dat verleden of de feiten voor zichzelf konden bagatelliseren of zelfs vergeten, hun kinderen opgroeiden in een vijandige wereld waar ze zelf niets aan konden herstellen - de hele buurt wist het en vond alleen een vernietigende afwerende houding. Maar het is even bekrompen om dat kortzichtigheid van de mensen te blijven noemen, want daarmee ontkent hij dat er mensen zijn die aan de oorlog wonden hebben overgehouden die maar niet willen genezen.
'Potgieterlaan 7', het huis in Hilversum waar hij opgroeide, is de coming out van Van der Zee als kind van een NSB'er. Dat is vrij laat en tegelijk heel erg open, want in zijn herinneringen worden alle mensen met naam en toenaam genoemd. Het zegt veel over hoe Van der Zee zelf worstelde met dat verleden, niet alleen ten opzichte van de kortzichtige andere mensen in dat Hilversums buurtje, maar vooral ten opzichte van zijn 'foute' familie.
Zijn ouders meldden zich in 1941 bij de NSB en zijn vader later ook nog bij de knokploeg van de WA. In 1942 al zegden ze hun lidmaatschap op, z'n moeder wat later dan z'n vader, maar ze was in alles nu eenmaal de fellere: “Heb ik van mijn moeder gehouden? Ik zou het niet weten.”
Van der Zee stapte op 29 augustus vorig jaar op als hoofdredacteur van Het Parool, na anderhalf jaar vruchteloos onderhandelen over een nieuwe start van de tobbende krant. Dat is een persoonlijk drama genoemd. Toch maakt die kwestie geen deel uit van zijn herinneringen in 'Potgieterlaan 7', al was het wel degelijk een onderdeel van een groter drama waar Van der Zee's boek over gaat: in het voorafgaande jaar waren zowel zijn vader en zijn moeder als zijn schoonvader en zijn oudste broer gestorven. Eigenlijk lieten ze allemaal onbeantwoorde vragen na; z'n schoonvader, een Duitser die aan het oostfront had gestaan, eigenlijk nog de minste.
In 'Potgieterlaan 7' probeert Sytze van der Zee, die eerder 'Voor Führer, volk en vaderland' over de SS in Nederland schreef, de antwoorden te reconstrueren en zijn eigen logische plaats daartussen te vinden. Maar dat lukt hem niet meer, wat rest is de pijn van een onverdiend verwijt. Z'n moeder wilde al helemaal niet meer over de oorlog praten, z'n vader, de kleine middenstander, kwam eigenlijk nooit verder dan een 'dat ging nu eenmaal zo'.
Met z'n broer Wim, de dominee en later de bevlogen voorzitter van de Raad van Kerken, was hij nog niet in het stadium van vragen en antwoorden geraakt. Waarom was Wim bij de Jeugdstorm, de jeugdafdeling van de NSB, gegaan? En waarover gingen die luidruchtige ruzies die Wim met z'n ouders had? Sytze van der Zee zal het niet weten, het enige dat hij kon waarnemen was dat het weer goed was gekomen.
Van der Zee zet de afgelopen vijftig jaar in het perspectief van de eerste naoorlogse jaren, toen z'n vader geïnterneerd was en uiteindelijk een lichte veroordeling kreeg, want buiten het feit dat hij lid was geworden van de NSB en de WA (daar kon je paardrijden) had hij niets verkeerds gedaan. Jaren van diepe armoede, en elke dag de wanhoop van z'n moeder op het menu. In die jaren vormden de kinderen een netwerk dat in stand bleef. “Wij wisten dat als wij geen poging deden om het met elkaar te redden, er geen perspectief meer was, geen uitweg uit de schande.”
Het kortstondige oorlogsverleden van de vader van Sytze van der Zee, heeft al die jaren als een grote zwarte schaduw achter de kinderen gestaan. Sytze is er vijftig jaar, zo blijkt uit zijn herinneringen, intensief mee bezig geweest. Het overlijden van alle hoofdrolspelers werd de aanleiding om dat verleden op te schrijven in een soms wat botsende mix van journalistiek feitenverslag en geromantiseerde herinneringen. De opmerking over de gewaande kortzichtigheid van 'de anderen' grenst dan ook eerder aan een vorm van zelfbeklag dan aan de kern van zijn herinneringen. Want de meeste pagina's van 'Potgieterlaan 7' zeggen dat Van der Zee in 1988 even overwogen móet hebben of hij wel hoofdredacteur van Het Parool kon worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.