*

 

Het leven als een voortdurend gevecht om macht, om liefde en bewondering

T. VAN DEEL − 19/05/95, 00:00

recensie Wessel te Gussinklo: De opdracht. Amsterdam, Meulenhoff; 551 blz. - ¿ 49,90.

Thuis heeft hij heimelijk geoefend hoe hij rust en vastberadenheid kan uitstralen en wat hij in voorkomende gevallen dient te zeggen. Het wordt al gauw duidelijk dat deze zelfgekozen opdracht tot mislukken is gedoemd: Ewout kan zich niet aanpassen, reageert verkrampt, overdrijft gedragingen uit een behoefte aan populariteit. Op het eind is hij iemand geworden die nergens meer bijhoort en in een vacuüm leeft.

Het probleem waar Ewout mee zit is dat de vanzelfsprekendheid verdwenen is uit zijn omgang met anderen. Hij is de puber die een houding moet vinden, maar daar niet in slaagt. Hij droomt van sterke persoonlijkheden als Churchill, Roosevelt, Jezus en zelfs Hitler, figuren naar wie de mensen zich richtten, die op handen werden gedragen. Ze zijn hem zelfs tot steun als hij vernederd en vertrapt wordt, want ook zij, weet hij, hebben tegenslagen te verduren gekregen. In feite is zijn optreden in de kampgemeenschap voor Ewout dus de proef op de som: zal hij zich 'tonen', zal hij zijn 'persoonlijkheid' kunnen waarmaken?

De menselijke omgang beschouwt hij als een voortdurend “gevecht van iedereen tegen iedereen om macht, om liefde en bewondering”. De logistiek van die strijd had hij thuis berekend en opgeschreven, maar in de praktijk komt er van alle goede voornemens niets terecht. Als hij de eerste avond al voor enorme commotie zorgt door niet vijf maar achtentwintig belegde boterhammen te eten, een overdrijving die hem wordt ingegeven door de warme belangstelling van zijn tafelgenoten, blijkt zijn behoefte aan bewondering zich tegen hem te keren.

Zo gaat dat steeds, hij taxeert zijn gedrag voortdurend anders dan degenen met wie hij te maken heeft. Hij denkt, bijvoorbeeld, dat een al wat oudere jongen (op wie hij zijn eigen ideaal van de leider projecteert) het erg op prijs stelt met hem te praten, terwijl deze zich op een zeker moment geërgerd toont over “dat opdringerige arrogante gedoe van jou altijd. Iedereen heeft er de pest aan. Doe eens een beetje gewoon, een beetje normaal.”

Op zichzelf is het verhaal van een buitenstaander, die zijn houding in de gemeenschap zoekt en die behept is met een tikje grootheidswaan, niet zo uitzonderlijk. Wat 'De opdracht' tot een zo onvergelijkbaar boek maakt, is de vertragende, detaillerende en nuancerende manier waarop er verteld wordt. Ik ken op Kees Ouwens na geen andere Nederlandse schrijver die daar zo ver in gaat. Ook Witold Gombrowicz, die met zijn ontledingen van menselijk gedrag, van houdingen, imitaties en vormen, stellig invloed op Te Gussinklo zal hebben uitgeoefend, is in vergelijking met hem een ingehouden verteller.

De eerste vijftig bladzijden van deze 551 grote bladzijden tellende roman zijn nog alleen maar de opmaat. Ze beschrijven de fietstocht van Ewout naar het Veluwse zomerkamp. Hij nadert hoofdstuk na hoofdstuk steeds dichter zijn bestemming, de plek waar hij de opdracht moet gaan uitvoeren en we worden op de hoogte gebracht van zijn verwachtingen (hij 'zou' dit, hij 'zou' dat), allemaal fantasieën die al spoedig ruw geconfronteerd zullen worden met de werkelijkheid: “En ze zouden weten dat hij een vriend was, een kameraad, een jongen waar je geweldig veel plezier mee kon hebben; een jongen die van elk gebeuren het centrum was, van elke groep de ziel.”

Het is of je Kees de Jongen bezig hoort. Maar goeiig zijn deze dromerijen, zeker in het perspectief van wat volgt, toch niet, ze zijn eerder tragisch te noemen. 'De opdracht' is een tragische roman, alle gedragingen van Ewout berusten op een misverstand met zijn omgeving, hij heeft geen benul van hoe te leven, als hij zelf denkt dichtbij de anderen te komen, vervreemdt hij zich juist van hen en raakt hij in de gevreesde 'afzonderlijkheid'.

“Daar zaten ze, al die jongens en meisjes - zichzelf waren ze, omgord met zichzelf, omvat door wie ze waren. Ze hoorden bij elkaar, elke beweging, elk lachje sprak daarvan. (. . .) Daar zaten ze, omsloten door hun lachjes, hun bewegingen en gebaren, hun uitroepen: de wapenrusting van hun gedrag. Hun ogen keken, en geen twijfel kenden ze. Daar zaten ze, die honderden jongens en meisjes bij elkaar in de eetzaal - kalm waren ze, ontspannen, geheel vervuld van zichzelf.”

De natuurlijkheid en autonomie van de anderen, die blijkbaar geen houdingen aannemen maar hebben, staan in groot contrast tot de afhankelijkheid en kunstmatigheid van Ewout. Als deze zich weer eens een keer opdringt aan de oudere jongen, merkt hij zelf ook hoe hij het juiste gedrag niet vindt en doorschiet in de verkeerde richting (de passage geeft ook een goede indruk van het nuanceren de proza van Te Gussinklo):

“Maar wat hij ook deed, hoe hij zich ook bewoog, vreemd onwennig, vreemd onnatuurlijk bleef elke houding. Hoe hij zich ook uitrekte, of een houding aannam die losjes en achteloos moest zijn - geen vanzelfsprekendheid, geen natuurlijkheid was nog te vinden - zo zat hij altijd; dit was uitrekken; nu was hij pas ontspannen . . . Het was niet zo. Hij deed het, maar het leek nergens op. Het voelde aan of hij overal doorheen schoot. (. . .) Het leek of hij er steeds langsglipte, en telkens nieuwe bewegingen moest maken, nieuwe houdingen moest aannemen om dat te herstellen - bewegingen die geen noodzaak hadden, terwijl ze nu toch onontkoombaar waren.”

Te Gussinklo kan over zo'n situatie in principe bladzijdenlang uitweiden, telkens de zaak hernemend, van alle kanten bekijkend. De eetscène, hiervoor genoemd, duurt op die manier vijfendertig bladzijden. In een latere fase wil Ewout, om hem gunstig te stemmen, een glaasje water halen voor de oudere jongen, waarom hij gevraagd heeft. Die gebeurtenis wordt uitgestreken over zestien fascinerende bladzijden.

Van Te Gussinklo's debuut vond ik nog dat er te veel woorden aan te weinig feiten werden gespendeerd, waardoor er vervaging optrad, hier heeft juist die bijkans oceanische uitbreiding van ook maar het miniemste voorval mij erg geïmponeerd. Die verteltechniek wordt ook ergens met zoveel woorden aanbevolen: “Ook deze situatie kon nog verder uitgesponnen worden, nog meer nadruk was mogelijk; niets zou hij zich laten ontgaan.”

Ewout gaat ervan uit dat hij is zoals de anderen hem zien en omdat hij naar bewondering en liefde hunkert, stelt hij alles in het werk om de blik van de anderen in voor hem gunstige zin te richten. In die manipulatie faalt hij jammerlijk, en hoezeer heel zijn optreden ook vals en bedrieglijk is, zijn onmacht om naar buiten te brengen wat in hem leeft (“niemand begreep wie hij werkelijk was”) maakt hem tot een tragische figuur en het verhaal van zijn échec tot een heuse tragedie. 'De opdracht' is een tour de force, alleen al door de vertelwijze en de lengte, weerbarstig in menig opzicht, een roman zonder weerga.

mailIcon print |