recensie “Ze wisten niet wat ze zagen, ze begrepen niet wat ze hoorden en ze beseften niet wat ze zeiden”. Met dit oordeel kenschetst Oost-Europa-kenner Martin van den Heuvel in zijn recent verschenen Herinneringen aan Oost-Europa de houding van de fellow-travellers, de vaderlandse linkse intellectuelen en politici, tegenover wat in de jaren zeventig als 'het reëel bestaande socialisme' werd omschreven.
Een schrijnende illustratie van deze houding vond ik in de recent vertaalde biografie van Doris Lessing, de schrijfster die met haar meeslepende The Golden Notebook een hele generatie in de jaren zestig en zeventig de weg naar politieke en seksuele emancipatie wees. Lessing beschrijft hoe zij tijdens een rondreis door de Sovjet-Unie een modelboerderij bezoekt. Na het voorspelbare loflied op de zegeningen van de collectivisatie stapt onverwachts een boer naar voren die de leugens van het officiële verhaal aan de kaak stelt. “Jullie moeten niet geloven wat jullie te horen krijgen. Bezoekers uit het buitenland krijgen leugens te horen. Ons leven is verschrikkelijk... Jullie moeten terug gaan naar Engeland en iedereen vertellen wat ik zeg. Het communisme is vreselijk.”
Lessing en haar collegabezoekers beseffen dat deze boer zijn optreden met de dood zal moeten bekopen. En hoewel zij achteraf suggereert dat zij er toen al van overtuigd was dat hij de waarheid sprak, blijkt nergens dat zij na terugkeer in Engeland geprobeerd heeft zijn boodschap door te geven. Integendeel, zij bleef lid van de communistische partij en bleef in haar boeken de communistische heilsleer omhelzen.
Ook al hadden boeken als die van Van den Heuvel mij erop voorbereid, ik was toch zeer geschokt toen ik deze episode uit Lessings autobiografie las. Hoe valt deze bewuste blindheid te verklaren? Hoe is het te begrijpen dat een schrijfster die uiterst gevoelig was voor het leed van de verworpenen der aarde, onbewogen bleef bij dat van de slachtoffers van het communisme, ja, dit zelfs kennelijk goedkeurde en rechtvaardigde?
Mijn geschoktheid heeft een persoonlijk aspect. Want net als ongetwijfeld veel andere lezers van haar werk heb ik in de jaren zestig en zeventig gemeend op het kompas van Lessing te mogen varen. Is dat onterecht geweest? Hoe verhoudt haar blindheid voor de totalitaire kanten van het communisme zich met de wijze waarop zij mij op literaire wijze de ogen opende voor het feminisme, het derdewereld vraagstuk en de milieuproblematiek?
Deze vragen zijn niet zo nieuw als we na de val van de Muur vaak denken. Zij worden als een soort permanente kritische begeleiding van het communistische samenlevingsexperiment de hele afgelopen eeuw al gesteld. Meestal gebeurde dat door intellectuelen die zich, na er aanvankelijk in geloofd te hebben, ervan afkeerden. Een beroemd voorbeeld is George Orwell, die in zijn dystopische roman 1984 deels rondom deze vragen liet draaien. “Ik begrijp het hoe, ik begrijp niet het waarom.”
Deze aantekening die Winston Smith, Orwells hoofdpersoon, in zijn geheime dagboek maakt en die door de roman heen een centrale rol speelt, gaat over de totalitaire praktijken waarmee hij geconfronteerd wordt. Zij staat voor zijn - en natuurlijk Orwells - pogingen om het totalitarisme en zijn aantrekkingskracht te doorgronden. Orwell had meegemaakt dat zijn verhalen over de Spaanse burgeroorlog, waarin de communisten soms eerder hun medestanders dan Franco's fascistische troepen bevochten, in linkse kringen in Engeland nauwelijks gehoor vonden.
Zijn vaste uitgever weigerde, zelfs zonder het in te zien, zijn verslag hierover te publiceren. Waar kwam deze blindheid vandaan? Hoe was te begrijpen dat de linkse intelligentsia het communisme bleef verheerlijken, ondanks de vele getuigenissen over de wandaden? Deze vragen klinken mee in Winstons dagboekaantekening; Orwell probeerde mede door het schrijven van 1984 een antwoord erop te geven.
Bij ons is de waarom-vraag de afgelopen jaren vooral door Frits Bolkestein aan de orde gesteld. Dat begon met een interview in de Nieuwe Revu van juni 1995, waarin hij de ex-communisten en andere linkse fellow-travellers opriep om rekenschap af te leggen van hun voormalige dwalingen. Bij het noemen van namen sloeg Bolkestein direct de plank mis. Gijs Schreuders, voormalig hoofdredacteur van het communistische dagblad De Waarheid, die hij met name noemde, bleek al in 1992 in zijn autobiografisch getinte boek De man die faalde geprobeerd te hebben een verklaring te vinden voor het feit dat hij zo vasthoudend bleef geloven in wat hijzelf als “de waan van de eeuw” omschrijft.
In een doorwrochte beschouwing die in augustus dat jaar in de Volkskrant verscheen, erkende Bolkestein ruiterlijk zijn vergissing. Zijn aan Schreuders gerichte verwijten nam hij terug. Met nadruk wees hij echter op “de hamvraag” uit diens boek: “waarom is het besef van de historische leugen zo langzaam doorgedrongen?” Afgelopen november stelde Bolkestein deze vraag opnieuw in een interview, ditmaal met Het Parool, aan de orde. Dit interview was vooral een aankondiging van zijn boek Onverwerkt Verleden dat nu verschenen is. Helaas vertroebelde Bolkestein zijn vraag bijna onmiddellijk door zijn beschuldigende vinger weer naar concrete personen uit te steken. Het debat dat zich vervolgens ontwikkelde ging daarom meer over het al dan niet schuldig zijn van concrete individuen dan over de zaak zelf. Bolkestein mengde zich overigens niet meer in deze discussie. Wij moesten voor zijn verdere bijdragen maar wachten op zijn boek. Een betere voorpubliciteit voor zijn geschrift zou geen auteur zich kunnen wensen.
Toen ik Onverwerkt Verleden in handen kreeg, was ik in eerste instantie teleurgesteld. Wij hebben hier niet zozeer met een boek als wel met een verzameling gebundelde, deels eerder verschenen artikelen te maken. Zelfs het later geschreven nawoord hierbij is eerder een samenvatting dan een poging de discussie verder te brengen. “Het raadsel blijft bestaan”, herhaalt Bolkestein zijn uitspraak uit 1995. Sinds dat jaar lijkt hij zelf niet geprobeerd te hebben het verder uit te diepen.
Dit betekent allerminst dat Onverwerkt Verleden geen belangwekkend boek is. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog gespannen. Naast al eerder gepubliceerde stukken bevat het drie uitvoerige, overigens ook al in 1995 aangekondigde, interviews met hoofdrolspelers uit het Oosteuropese drama. Hiervan is het gesprek met de uitgeweken Tsjech Jiri Pelikan verreweg het interessants. De eerder genoemde hamvraag wordt in alle scherpte gesteld.
Naar aanleiding van de zogenaamde Praagse processen uit 1950, waarbij een aantal communistische leiders op grond van duidelijk absurde en onware beschuldigingen terecht werd gesteld, verwijzen beide gesprekspartners naar de laatste woorden van één van hen, die zei: “Ik ga naar het schavot met een bezwaard gemoed maar met een betrekkelijke gewetensrust. In mijn persoon zal een van degenen die zo veel schade hebben berokkend worden geëlimineerd. De lucht zal worden gezuiverd en een van de obstakels op de weg naar het socialisme zal worden verwijderd.”
Het vreemde is dat het vraagstuk van het onverwerkte verleden bij ons niet door de direct-betrokkenen aan de orde wordt gesteld. Dat is in Frankrijk duidelijk wel het geval. Daar werd onlangs een zwartboek over het communisme gepubliceerd, dat later dit jaar ook in Nederlandse vertaling zal verschijnen.
Het zijn vooral voormalige communisten en ex-sympathisanten die zich hierin over hun eigen historische vergissingen buigen. Dat dit in ons land nauwelijks gebeurt, is teleurstellend. Naar aanleiding van zijn eigen intellectuele geschiedenis, waarin hij zijn standpunten soms radicaal bijstelde, stelde de socioloog Nathan Glazer: “Er is niets dat de geest scherper concentreert op een vraagstuk dan de ontdekking dat men het bij het verkeerde eind heeft gehad.”
Op de vaderlandse linkse intelligentsia lijken deze woorden nauwelijks van toepassing. Toch zouden de leden ervan, waarschijnlijk beter en scherper dan Bolkestein, in staat moeten worden geacht de waarom-vraag te beantwoorden, omdat zij de fascinatie van het communisme in eigen persoon hebben ervaren. Voorlopig zijn zij drukker met het zich verontschuldigen voor hun houding dan te proberen deze vanuit een bredere maatschappelijk-politieke context te verklaren.
Naar aanleiding van Herfsttijloos, het levensverhaal van de marxist Ger Harmsen, merkte zijn ex-collega filosoof Lolle Nauta op dat het blijft steken in sociaal-psychologische gezichtspunten. “Wat vandaag de dag de politieke relevantie zou kunnen zijn van wat hier allemaal wordt opgedist, wordt vrijwel niet onderzocht.” Ik ben dit roerend met Nauta eens. Alleen, het slaat het ook op hemzelf. Hij geeft toe dat hij zelf ook lang de ogen gesloten kon houden “voor het misdadig karakter van het Sovjetregime,” dat hij, net als Harmsen, “de massamoorden en de stalinistische terreur” te snel wegstreepte tegen het imperialistische optreden van het Westen.
Hoe valt dit te begrijpen? Als twee denkers ervoor geëquipeerd zijn om deze vraag aan de orde te stellen en er een eerste antwoord op te formuleren, zijn het Harmsen en Nauta wel. Voor de duidelijkheid, hiermee bedoel ik niet het soort rekenschap waar Bolkestein het over heeft, maar een politieke verklaring en een filosofische verantwoording. Hoe komt het dat de Franse filosofen over het onverwerkte verleden wel een publieke discussie voeren, terwijl in ons land een oorverdovende stilte onder de vele betrokkenen heerst? In het recente verleden verweet links zich dat, zoals het toen heette, het ideologisch terrein met betrekking tot Oost-Europa aan de rechtse krachten had overgelaten. Zo zal het vandaag de dag nauwelijks meer geformuleerd worden. Toch lijkt zich ten aanzien van het onverwerkte verleden eenzelfde situatie voor te doen. Want Bolkesteins boek hierover graaft voorlopig dieper dan bijvoorbeeld De man die faalde van Schreuders. Dat laatste is toch vooral het soort psychologische rekenschap dat op zich verhelderend is maar dat ons voor de beantwoording van de waarom-vraag niet veel verder brengt.
In het artikel uit 1995 geeft Bolkestein zelf drie korte antwoorden op de waarom-vraag. Zij draaien vooral rond de maatschappelijke rol van intellectuelen. Vanuit hun kennis en inzicht pretenderen deze vaak te kunnen en te mogen beslissen over wat in politiek-maatschappelijk opzicht gewenst is. Steeds natuurlijk voor het bestwil van de grote massa's slaan zij daarom de weg in naar heilsrijken en utopieën die uiteindelijk langs totalitaire weg verwezenlijkt moeten worden. Hier liggen de kiemen van een antwoord op de vraag over het geloof in de waan van de eeuw.
Vanuit deze kiemen dienen vanzelfsprekend specifieke antwoorden te worden geformuleerd. Dat dit nog nauwelijks gebeurt, heeft ongetwijfeld te maken met het gegeven dat in zulke antwoorden ook de visie van de intellectueel op de eigen rol, en dan niet alleen maar ten opzichte van het specifieke vraagstuk dat Bolkestein aan de orde stelt, onder ogen moet worden gezien. Aan een dergelijke verbreding van de discussie lijkt niet te ontkomen, als we voor de toekomst van de fouten uit het verleden willen leren.
Ik geef tot slot twee schoten voor de boeg voor zo'n discussie. Een filosofe die in belangrijke delen van haar werk geworsteld heeft met de vragen die hier aan de orde zijn, is Hannah Arendt. Zij speelt in het betoog van Bolkestein geen rol en gezien het feit dat hij, als hij al kort naar haar verwijst, haar naam consequent - dat gebeurde al in het artikel van 1995 - verkeerd spelt, lijkt hij haar niet te kennen.
Hoe dat ook zijn mag, Arendt die in The Origins of Totalitarianism als eerste het totalitaire fenomeen in zowel het nazisme als het communisme bestudeerde en zo een specifiek antwoord op de waarom-vraag formuleerde, heeft er ook bredere achtergrondbeschouwingen aan gewijd. Daarin verwijst zij naar het voor filosofen pijnlijke en ergerniswekkende verschijnsel dat wanneer grote denkers uit heden en verleden zich op directe wijze met de politiek inlaten, zij bijna allen de neiging hebben voor dictatoriale en totalitaire regeringsvormen te kiezen.
Dat begon al met Plato en het loopt door tot zowel Heidegger en de anderen die voor het nazisme kozen, als Sartre en de talloze communistische fellow-travellers. Arendt verklaart deze keuzes vanuit een technisch georiënteerde opvatting over politiek. Reeds Plato, die ervaren had hoe zijn leermeester Socrates door een democratisch bewind terecht gesteld was, koos duidelijk voor een verlichte dictatuur van filosoof-koningen.
Langs deze weg doet de idee van het doel dat de middelen heiligt zijn fatale intrede in het politieke domein. Zoals de ambachtsman het doel van een stoel of tafel die hij wil maken voor ogen heeft en op gewelddadige wijze materialen hiervoor uit de natuur haalt om dit te realiseren, heeft de filosoof-koning de ideale staat voor ogen die hij helaas alleen door het uitoefenen van geweld op het hem ter beschikking staande mensenmateriaal kan bereiken.
Een van de meest gebruikte metaforen uit een recent links verleden die Arendt aan de kaak stelt, was dat je om een omelet te maken de eieren moet breken. Ongetwijfeld moet Doris Lessing iets dergelijks voor ogen hebben gestaan toen zij de dood van een eenvoudige boer en de onderdrukking in de Sovjetunie wegstreepte tegen het hoge doel waarnaar men beweerde dat men op weg was. Wil de hamvraag die Bolkestein en Schreuders stellen beantwoord worden, dan moet ook deze aloude rol van de koning-filosoof die in het moderne beeld van de maatschappelijke taken van de intellectueel voortleeft, op de helling. Maar nogmaals, gemakkelijk zal dat niet gaan omdat een nieuwe rol niet simpelweg klaarligt.
In 1984 geeft Orwell een veel angstaanjagender antwoord op de waarom-vraag. Tijdens een afschuwelijke martelscène wordt Winston Smith door O'Brien, zijn ondervrager, opnieuw geconfronteerd met zijn geheime dagboekaantekening. Volgens O'Brien kon Winston “het raderwerk van de samenleving waarin hij verkeerde, bevatten, maar niet de beweegredenen die eraan ten grondslag liggen.” “Jij begrijpt heel goed hoe de Partij ervoor zorgt aan de macht te blijven. Zeg mij nu eens waarom wij de macht willen behouden. Wat is de beweegreden? Waarom zouden wij de macht begeren? Vooruit, spreek op.” Winstons gedachten lopen parallel aan het eerste antwoord dat ik hierboven formuleerde. “Jullie regeren over ons om ons eigen bestwil. Jullie menen dat menselijke wezens niet geschikt zijn om zichzelf te regeren en daarom...” Op dat moment krijgt hij, wat steeds gebeurt bij een fout antwoord, een stroomstoot door zijn ondervrager toegediend. O'Brien lacht hem uit en gaat zelf het antwoord op de waarom-vraag geven. Er volgt een hallucinerend loflied op de pure macht. Macht is hierin geen middel maar doel. “Men vestigt geen dictatorschap om een revolutie veilig te stellen; men maakt de revolutie om het dictatorschap te vestigen. Het doel van vervolging is vervolging. Het doel van marteling is marteling. Het doel van macht is macht. Begin je me nu te begrijpen?”
Wat hier zichtbaar wordt, is de mogelijkheid van het radicale kwaad. Er is geen sprake meer van een verlichte goedheid die mensen tot het leiderschap roept maar van de verleiding van het absolute kwaad, van een hang naar macht om macht. Ook Arendt ontdekt in haar grote studie over het totalitarisme het absolute kwaad als diepste drijfveer van dit verschijnsel.
Ongetwijfeld is dit tweede antwoord nog moeilijker te aanvaarden dan het misplaatste superioriteitsbesef van de filosoof-intellectueel. Toch is ook dit deel van het antwoord uiterst belangrijk om toekomstige ontsporingen te vermijden. Over het fascisme stelde Orwell dat de mensen die lieten zien dat zij het fascisme het beste begrepen en het daarom ook het beste bestreden, vaak degenen waren die in zichzelf een fascistisch trekje herkenden. Alleen wie zijn verleidingen kent, kan er weerstand aan bieden. Hoe onmodern het ook klinken mag, de verleiding tot het radicale kwaad dat zich in het totalitaire fenomeen belichaamt, hoort hier ook bij. Ook deze kant van het onverwerkte verleden dienen we onder ogen te zien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.