*

 

Ook na de bevrijding ontspoorde de top van de NS

HUIB GOUDRIAAN − 19/05/95, 00:00

recensie Paul Arnoldussen en Albert de Lange: Finale mei; Arbeiderspers, Amsterdam, 232 blz. - ¿ 34,90. Ies Dikker: Nergens Veilig - Brief uit de onderduik; Uitg. Tuindorp, Haarlem, 183 blz. - ISBN 90-73629-09-8. Aad Jongbloed: Standort Holland; Walburg Pers, Zutphen, 144 blz. - ¿ 29,50. Ben Laurens: Rotterdam, geblaakte stad; Ad. Donker, Rotterdam, 192 blz. - ¿ 34,50.

De onbekende gebeurtenissen die ze bijeengesprokkeld hebben, maken duidelijk hoe 'karaktermoord een veelbeproefd middel werd' voor de verovering van nieuwe machtsposities. En hoe de zuivering werd gebruikt - aldus de door hen geciteerde Wim Sanders, tweede man van de toenmalige BVD - om 'de vooroorlogse gevestigde verhoudingen te herstellen en een eventuele nieuwe ordening tegen te gaan'.

Illustratief is de lastercampagne tegen de in 1938 tot president-directeur van de Spoorwegen benoemde prof. ir. J. Goudriaan. Deze sociaal-democraat was kort na het begin van de oorlog gearresteerd en naar Buchenwald overgebracht. In 1945 betichtte hij ir. W. G. Hupkes en diens staf, die in de oorlog de NS waren blijven leiden, van collaboratie. 'Finale mei' stelt vast dat de regering vervolgens niet te beroerd was de 'actie exit-Goudriaan' van Hupkes te steunen. “Veel later zou Arie van der Zwan in zijn boek 'Goudriaan in botsing met de NS' aantonen, dat de terzijde geschoven president-directeur het slachtoffer werd van een smaadcampagne onder leiding van Hupkes, waarin nota bene argumenten werden gehanteerd die de NSB in de oorlog tegen Goudriaan had ingezet.”

Hupkes had in november 1940 zijn joodse werknemers een ontslagbrief geschreven met de volgende koele zinsneden: “Ingevolge opdracht van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied terzake van niet-arisch overheidspersoneel en met dat personeel gelijkgestelden, brengen wij te Uwer kennis dat U met ingang van heden van de waarneming van Uwe functie van . . . is ontheven.” De NS, die weliswaar in september 1944 in staking ging, had alleen al in 1942 naar Westerbork 148 extra treinen ingezet.

De belevenissen van joodse Nederlanders die zich aan deportatie konden onttrekken, worden beschreven in 'Nergens veilig - Brief uit de onderduik'. Ies Dikker, textielwinkelier in Zandvoort, kreeg er in '44 spijt van zijn ervaringen ('van de laatste vier jaar') niet te hebben vastgelegd. In de onderduik begon hij een inhaalmanoeuvre in vier schoolschriften (na zijn dood in 1984 teruggevonden).

In briefvorm vertelt hij over zijn opgejaagde leven, en dat van vrouw en kinderen, aan zijn schoonzuster Jenny, vóór de oorlog naar Zuid-Amerika geëmigreerd. Aangrijpend en bijzonder leesbaar, met veel onbekende feiten uit het dagelijks leven. Dikker vertelt over een politieagent die van zijn dominee het advies had gekregen een joodse vrouw met haar kind niet op te halen. Maar, had de commissaris gezegd, weigering kon hem zijn betrekking kosten. De agent kreeg daarna gewetenswroeging, vertelde dat in tranen bij de predikant, die zei: “Man, wat jij gedaan hebt is zeker heel slecht en eens zal je je moeten verantwoorden. Ook al had het je jouw betrekking gekost, dan nog zou je hebben moeten weigeren. De Here zou voor je levensonderhoud wel uitkomst hebben gegeven.”

De auteur voegt hieraan toe dat de dominee terecht de daad van de politieman afkeurde, maar: “Hij behoorde nog tot de besten, want als de mensen toen werkelijk geleefd hadden naar hun geloof en overtuiging en met meer mensenliefde, dan hadden duizenden hun werk moeten neerleggen.”

In het populaire boekje 'Standort Holland' vertellen zes voormalige Wehrmacht-soldaten en een ex-SS'er hun herinneringen aan Holland. Eén van de 125 000 'Duitse jongens die Nederland bezet hielden' (veldleger, Kriegsmarine en Luftwaffe) was, zegt hij, bevriend met een halfjoodse Nederlandse. Bij haar oma kon hij naar de Engelse radio luisteren. “Op een zeker moment moest de oma de radio afgeven. Ik heb toen een Wehrmacht-radio voor ze op de kop getikt, die ik op de fiets ben gaan brengen.” Een vorm van collaboratie aan Duitse kant.

Ben Laurens beschrijft in 'Rotterdam, geblaakte stad' hoe op hem, als elfjarige, de in mei 1940 Rotterdam binnenrukkende Duitse soldaten overkwamen. Zodra er even tijd voor was, deden ze massaal inkopen. “Die kerels waanden zich in luilekkerland. De dingen die het leven aangenaam maakten, schenen in de 'Heimat' toch geheel en al te ontbreken.” Vooral gebak. “In de Vierambachtsstraat zaten ze voor de banketbakkerijen op de trottoirband, met een open doos gebakjes op hun knieën en ze vraten tot de slagroom uit hun neus en oren kwam.” De werkelijkheid van een stad in oorlog in de ogen van de schooljongen van destijds, nu een oudere Rotterdammer met zijn gepeperde, recht uit het hart komende bewoordingen. (Elke Rotterdamse scholier kreeg een boek van de gemeente: een cadeautje van 28 500 exemplaren).

mailIcon print |