recensie D. Hillenius: De hand van de slordige tuinman. G. A. van Oorschot, Amsterdam; 140 blz. - ¿ 37,50.
Wetten en regels betekenden voor hem het tegendeel van waar hij op uit was; ze leggen vast, terwijl hij nu juist in beweging wilde blijven, 'de onrust bewaren' zoals een van zijn dichtbundels heet. Verstarring, kristallisatie of wat voor woorden hij ook gebruikte om de dood in het leven aan te duiden, alle soorten van fixatie waren hem een gruwel, ook de fraaie, geciseleerde literaire vormen bezag hij met achterdocht. Hij was een man van de notitie, de optekening van levenservaringen en -inzichten. Een dagboekschrijver, een essayist.
Het is alweer bijna tien jaar geleden dat hij stierf. Zijn boeken zijn nog alleen antiquarisch verkrijgbaar, op 'Verzamelde gedichten' na, dat in 1991 postuum verscheen. Ook die gedichten zijn eerder losse invallen en schetsjes. Alles wat hij schreef, hield verband met de bioloog die hij was. Zijn kijk op de wereld is een biologische of een biopsychologische, een biosociologische. De enige met wie hij, als schrijver-bioloog, verwantschap vertoont, is Leo Vroman, wiens wereldbeeld ook wordt bepaald door zijn ervaringen als bloedonderzoeker.
Hoe jammer het is dat Hillenius niet meer deelneemt aan onze literatuur, wordt duidelijk na lezing van de pas nu verschenen keuze uit de columns die hij tussen 1983 en 1987, het jaar van zijn dood, voor Vrij Nederland schreef: 'De hand van de slordige tuinman'. Ze zijn in geen enkel opzicht verouderd en van een verrukkelijke levendigheid. De aangesneden onderwerpen lopen zeer uiteen, maar ze worden bijeengehouden door die bijzondere, door niemand nadien geëvenaarde biologische blik, door een onophoudelijke nieuwsgierigheid en een niet te onderdrukken behoefte verbanden te leggen. Hillenius was een echte essayist, iemand die al schrijvend iets uitdenkt, die denkt op papier en ons in zekere zin mee laat denken.
In het stukje 'De functie van slordigheid' bespreekt hij een fenomeen waar hij veel affiniteit mee moet hebben. Slordigheid is bij hem geen ondeugd of een negatieve eigenschap, maar heeft vrijwel de betekenis van: leven, in tegenstelling tot netheid, die meer wijst in de richting van systematiek, orde, wetten, dood. Slordige tuinen laten het leven z'n gang gaan, slordige schrijvers betrappen het leven meer dan kunstschrijvers, slordige wetenschapsmensen komen met de beste, meest vitale ideeën. Deze lof der slordigheid mondt uit in een kort gedichtje:
Leven is in ontduiken aan wetten ontkomen aan vernietiging
Hij zegt er niet bij dat dit tekstje van hemzelf is, afkomstig namelijk uit zijn eerste (literaire) boek, 'Tegen het vegetarisme' uit 1961. Als onbewust bewijs van zijn slordigheid mag gelden dat de tekst daar net even anders luidt en een onderdeel vormt van een groter geheel:
Wetten zijn de strakke lijnen van ijskristallen netten wevend van de dood
Leven is in ontduiken van wetten vechtend ontkomen aan vernietiging
Deze definitie van leven is typerend voor de beweeglijke, vrijheidslievende Hillenius. Hij is tegen de abstractie en voor de zintuiglijke, kleurige wereld. Hij vindt ook een aparte milieupartij, de Groenen, levensgevaarlijk, want daarmee wordt het milieu als kwestie geïnstitutionaliseerd en dat beperkt het inzicht dat er een algemeen belang mee is gemoeid.
Voor niets is hij zo bang als voor rancune, hij onderzoekt zichzelf op een mogelijke beginvorm om niet sluipenderwijs door dit fixerende gif overmand te worden. Hij prijst tweede huisjes om hun vaak verwaarloosde tweede tuinen, waarin de natuur voor de mooiste verrassingen zorgt, “want de natuur is iets dat juist niet star is, altijd in beweging”.
Heimans en Thijsse lieten ons de natuur zien zoals zij werkelijk is. Ze stelden de natuur niet fraaier voor dan ze is, “omdat ze lieten zien dat het een proces is waarin leven en dood in constante strijd gewikkeld zijn, waar we deel van uitmaken”. Dagboeken beschouwt Hillenius als zijn meest waardevolle lectuur: het zijn geschriften die pal op het leven zelf zijn geschreven.
Belangrijke biologische principes zoals natuurlijke selectie of territoriumdrift past hij op verschillende gebieden toe, met een vindingrijkheid die vrolijk stemt. De beweeglijkheid van het leven zelf lijkt hij in zijn stukken te willen vertegenwoordigen. “Het aardige van biologie is dat ze zich niet of weinig met abstracties bezighoudt, maar voornamelijk met sappige, stinkende, bijtende, strelende, kleurig levende, dodelijke, kortom zintuiglijke werkelijkheid.”
Over die werkelijkheid schrijft Hillenius: over de vogels die erin vliegen, over de muziek die erin klinkt, over boeken die erin verschijnen, over taboes die erin heersen, over hoe hersens werken, over travestie, stijl, het Kwaad, domesticatie, kikkers, het Zuiden, jaloezie, en zoals gezegd Heimans en Thijsse. Hij brengt die twee grote natuurschrijvers, wat betreft de toon die in hun geschriften heerst, in verband met Darwin:
“Darwin, zonder wie de moderne biologie niet denkbaar is, begon als amateur en zijn reisdagboek en veel van zijn kleinere artikelen - trouwens ook veel van zijn officiële werken - zijn doordrenkt van de toon van een liefhebber, die met onbelaste ogen kijkt naar planten en dieren, en die daar ten diepste van geniet. Die toon is al lang weer ontoelaatbaar in wetenschappelijke geschriften. Maar het is merkwaardig en veelzeggend hoe je die toon telkens weer ontmoet als het gaat om vernieuwingen in de biologie.
Ik meen dat Heimans en Thijsse beiden die toon bezaten, de toon van ontdekkingsplezier, aanstekelijk en meeslepend.'
Die toon klinkt ook in het werk van Hillenius en inspireert zijn lezers - alsof iemand enthousiast en vindingrijk met je aan het praten is over alles wat hij gezien en bedacht heeft.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.