*

 

ORDE, GEWELD EN RELIGIE (2)

MEERTEN B. TER BORG − 07/01/95, 00:00

recensie In het eerste deel van deze beschouwing hebben we gezien op welke wijze men in religies het geweld beteugelt, bij voorbeeld door middel van het offerritueel. Het christendom wijst geweld in principe af, dus ook de gewelddadigheid van het offer. Met dat laatste berooft het de maatschappij paradoxaal genoeg van een rem op de gewelddadigheid. Dat heeft gevolgen voor de maatschappij, ook in de moderne tijd. Laurens ten Kate, De lege plaats, Revoltes tegen het instrumentele leven in Bataille's atheologie, Uitg. Kok Agora, Kampen, 1994, 640 blz., ¿ 79,90.

We kunnen niet leven zonder een maatschappelijke ordening. Maar iedere maatschappelijke ordening is de uitkomst van een machtsstrijd, waarbij men zich voorlopig heeft neergelegd. Men onderwerpt zich. Die onderwerping doet pijn. Zelfs zij, die het beste af zijn en het meest van de ordening profiteren, voelen dat. Ook de machtigen kunnen zich maar in beperkte mate risicoloos aan die regels en normen onttrekken. Het is een druk en dat roept agressie op. Dit is wat Freud het onbehagen in de cultuur noemde.

Deze ordening wordt voortdurend afgedwongen door de anderen: minderen, gelijken en bovengestelden, goedschiks of kwaadschiks. Dat heet sociale controle. Deze controle is potentieel gewelddadig. Toch dient deze aanvaard te worden. De agressie, die de onderworpenheid oproept, kan in onze christelijke samenleving niet worden geuit, want zelfbeheersing en vreedzaamheid zijn de norm.

Geweld is echter aantrekkelijk en velen zouden het dolgraag voor het een of ander aanwenden. Maar als ze metterdaad hun geweld zouden uitoefenen, schenden ze niet alleen een belangrijke norm, het zou ook het einde van de ordening kunnen betekenen, bij de gratie waarvan zij leven. Dat betekent mogelijkerwijs de dood. Daarom zijn wij bang voor geweld. Zo is geweld dus aantrekkelijk en afschrikwekkend tegelijkertijd. Deze ambivalentie van het tegelijkertijd afstoten en aantrekken is een belangrijk kenmerk van religiositeit.

Religies geven deze dubbelhartigheid, het samengaan van afschrikking en aantrekking, vorm. Wij ondergaan deze wirwar van gevoelens, bijvoorbeeld in het bijwonen van offerrituelen. Zo is de gewelddadigheid van de maatschappelijke ordening enigszins gekanaliseerd en beheerst.

Onder invloed van het christendom met zijn besliste afwijzing van geweld en gewelddadige rituelen, zijn de officiële religieuze vormen vernietigd om aan het geweld vorm te geven. Het geweld heeft zo zijn legitieme plaats in ons waardenstelsel geleidelijk verloren. We denken dat we geweld zonder meer afgrijselijk moeten vinden en kunnen het hoogstens accepteren als een noodzakelijk kwaad. Op geweld en op ons verlangen naar geweld ligt een taboe. Wanneer de staat, die het geweld heeft gemonopoliseerd, geweld moet gebruiken, noemt de minister-president dit 'een nederlaag'.

Eén van de denkers, die met deze problematiek is bezig geweest, was de Franse denker en schrijver Georges Bataille (1897-1962). Hij heeft zijn hele leven, in geschrifte en in zijn daden, de grenzen van de ordening van de moderne maatschappij verkend. Hij heeft getracht aan de maatschappelijke dwang te ontsnappen. Zijn leven en werk worden gekenmerkt door een voortdurend doorbreken van alle mogelijke taboes. Zijn geschriften bestaan dan ook voor een deel uit pornografie en voor een deel ook uit wartaal. Hij heeft ook het geweld en de oorlog verkend en van tijd tot tijd verheerlijkt.

Over hem heeft Laurens ten Kate een lijvig maar zeer lezenswaardig boek geschreven, getiteld De lege plaats. Het derde hoofdstuk van dit boek handelt over oorlog en geweld. Niet alleen het denken van Bataille daarover wordt hier besproken, maar ook dat van verwante denkers, onder wie Jünger en Blanchot, alsmede enkele Franse schrijvers die slachtoffer geworden zijn van het ultieme geweld: Auschwitz.

Het gaat bij Bataille om een maatschappijkritiek, die zich richt tegen een samenleving die allerlei eigenschappen van het menselijke bestaan verbiedt en onderdrukt. De samenleving wordt hierdoor verstikt en verliest haar greep op deze eigenschappen, die daardoor op verwrongen, geperverteerde manieren worden botgevierd.

Bataille analyseert ook de manier waarop de moderne maatschappij het fysieke geweld onderdrukt. Om te beginnen monopoliseert de staat het. Vervolgens wordt de ideologie omarmd dat geweld slechts een instrument is. Het is een puur middel van staten tegen elkaar. Daar waar de diplomatie faalt, kan altijd nog militair geweld worden ingezet.

Deze instrumentele benadering ontzegt geweld de belangrijke plaats die ze in onze samenleving heeft. Er zijn nauwelijks vormen, waarin het geweld tot uitdrukking kan worden gebracht en waarin het verlangen naar geweld zijn bevrediging krijgt. De oorlog, waarin dit zou kunnen, is uitsluitend gericht op het resultaat, nauwelijks voorwerp van normering, en daardoor onbeheersbaar.

Volgens Bataille heeft de onbeheersbaarheid van geweld te maken met het feit dat de religiositeit uit onze instrumentele, utilitaire, rationele orde is gebannen. Hierdoor kan men niet begrijpen dat geweld geen middel is, maar een vorm van religieuze extase. Het is een breuk in de sleur van het leven van alledag. Oorlog is de ordening van alle dag te buiten en te boven gaan. Oorlog is bevrijding. Het is iets heerlijks. Dat de oorlog een middel ter bereiking van een doel zou zijn, is voor Bataille pure ideologie. Maar geweld en oorlog zijn 'soeverein'. De staat beheerst en stuurt de oorlog niet, maar oorlog en geweld beheersen de staat en de werkelijkheid.

Kenmerkend voor Bataille is dat hij het nooit bij een analyse laat. Er is altijd ook een groot engagement, een zekere verering voor alles wat buiten onze maatschappelijke orde wordt gesloten. Dat impliceert aanvankelijk een verheerlijking van het geweld en de oorlog.

Van deze verering voor het geweld krijgt Bataille zijn bekomst tijdens de Tweede Wereldoorlog en al helemaal als de gruwelen van Auschwitz bekend worden. Maar zijn maatschappij-kritiek verandert hierdoor niet wezenlijk. Hij blijft erbij, dat aberraties van geweld, dus ook Auschwitz kunnen bestaan, als uiterste consequentie van de gewelddadigheid, juist omdat in onze samenleving het soevereine geweld geen plaats heeft. Daarbij wordt Auschwitz zelf ook nog utilitair versluierd. Het ultieme geweld wordt hier onmiskenbaar op industriële en rationele wijze aangewend. Er wordt ook een ideologisch gekleurd doel aan gegeven: de zogenaamde gezondmaking van de samenleving.

Het is verhelderend geweld op alle niveaus te zien als soeverein, als iets dat mensen maken, omdat ze er nu eenmaal behoefte aan hebben. Het bespaart je de moeite om bij veel onbegrijpelijk ruziegedrag naar rationele redenen te zoeken. Dat geldt niet alleen voor klein geweld, het geldt ook voor burgeroorlogen en oorlogen.

Zo zijn we weer terug bij het uitgangspunt van deze kleine tour d'horizon van literatuur over religie en geweld. René Girard meent dat het geweld mimetisch is en tot spiralen van escalerend geweld leidt, die in het offer onderbroken worden. In dit offer zou de oorsprong van religie liggen. Het christendom verzet zich tegen het offer, en de staat heeft de uitoefening van het legale geweld inmiddels gemonopoliseerd. Hierop sluit de gedachte van Bataille aan, dat het onderdrukken van het geweld door politiek en godsdienst het begin is van het onreguleerbare, teugelloze geweld.

De conseuquentie van Batailles denken is het opnieuw toelaten van geweld in de samenleving middels allerlei religieus getinte rituelen. De vraag is wat je je daar concreet bij moet voorstellen.

Ondertussen is deze redenering, hoe verhelderend ook, uiterst aanvechtbaar. Zo meent de socioloog Norbert Elias (1897-1990) dat het onderdrukken van bepaalde neigingen en strevingen op de langere duur tot gevolg heeft, dat deze neigingen verdwijnen. Iedereen die al langere tijd van het roken af is, kan beamen dat dit voor sommige neigingen zeker opgaat. Volgens Elias geldt het ook voor onze neiging tot gewelddadigheid. Onder de dwang van de maatschappelijke ontwikkelingen is deze volgens Elias gedurende de laatste duizend jaar enorm verminderd. Mensen leerden eerst hun agressie te beheersen en vervolgens is de drift zelf verminderd. Dat gebeurde in een eeuwen omvattend civilisatieproces.

Deze optimistische visie sluit niet uit dat er af en toe grote ongelukken gebeuren. De ontwikkeling gaat in de richting van minder gewelddadigheid, maar dat betekent nog niet dat het hier gaat om een rechtlijnige ontwikkeling. Auschwitz betekent een gewelddadige terugval in de barbarij, voortkomend uit een politiek geloof, het nazisme, dat onder invloed van een aantal sociale ontwikkelingen, sterker was dan overwegingen die gebaseerd waren op realisme. Toch gaat het hier om een incident. Het was een zeer pijnlijke, ongelukkige samenloop van omstandigheden, die des te harder aankwam, omdat men van zichzelf dacht verder te zijn met het onderdrukken van het geweld.

Wat het denken van Bataille impliceert, namelijk het wederom een plaats geven van het geweld in een religieus kader, is vanuit dit standpunt bezien een gevaarlijke absurditeit. Het komt neer op de reanimatie van alles waarvan we ons met vallen en opstaan hebben bevrijd: religie en geweld.

Het denken van Elias is duidelijk modernistisch. Ondanks zijn voortdurend benadrukken van het tegendeel staat het in het teken van de hoop dat de geschiedenis langzaam maar zeker leidt tot een rationelere, meer geciviliseerde, minder gewelddadige vorm van samenleven.

Hoe diametraal Bataille en Elias ook tegenover elkaar mogen staan, in één opzicht komen hun standpunten overeen: beiden zien Auschwitz als een uitzondering, een ontsporing. Het verschil van opvatting betreft de oorzaken van deze ontsporing.

Het denken van de Engelse socioloog Zygmunt Bauman is hieraan tegengesteld. Gegeven de hoeveelheid massamoorden, die we in onze eeuw al hebben gezien, meent hij dat we hier niet meer van iets uitzonderlijks mogen spreken. De hecatomben van onze eeuw zijn geen ontsporingen, maar een consequentie van het moderne samenleven. De utilitaire aanwending van het geweld, zoals in Auschwitz, ziet hij niet als een ideologische versluiering, maar als een kenmerk van de moderniteit. Dat kenmerk komt voort uit het idee dat we de samenleving perfect kunnen maken. Bijvoorbeeld door factoren die als ziekmakend worden gezien, uit de weg te ruimen.

Een ander kenmerk van de moderne samenleving dat bijdraagt tot het moorden op onvoorstelbare schaal is de arbeidsverdeling. Hierdoor hoeft niet één man het pijnlijke moorden op zich te nemen. De verantwoordelijkheid wordt bijna tot in het oneindige opgesplitst. Tienduizenden functionarissen leveren hun aandeel. En al die deel-taken van het grote geweld zijn niet in het minst gewelddadig.

Een volgend kenmerk is de mechanisering van het moorden, waardoor men de slachtoffers niet meer ziet lijden en dus ook bevrijd is van de neiging zich met hen te identificeren. Het ultieme geweld, zoals zich dat manifesteert in Auschwitz, Hiroshima en in de bomtapijten op Vietnam en Irak, wordt door de honderdduizenden medeplichtigen opgevat als een noodzakelijk kwaad, waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen. Zij zijn slechts een miniem onderdeeltje in het enorme proces.

Tegenover zowel Bataille als Elias zou Bauman inbrengen dat het geweld niet buitengesloten is, uit onze samenleving, maar dat het geweld gemoderniseerd is.

Dat betekent overigens niet, dat het zijn aantrekkelijkheid heeft verloren. Oorlogen hebben, althans de eerste dagen, het fascinerende van een offerritueel. We hebben dat kunnen zien aan onszelf tijdens de Golfoorlog. Deze trok aan ons voorbij als een aantrekkelijke show. De eerste dagen leefden we in een euforie. De nieuwsrubrieken waren onafgebroken in de ether. We konden er geen genoeg van krijgen. De deskundigen, die alles moesten uitleggen, waren niet aan te slepen. We waren enthousiast over de technologische perfectie waarmee het geweld werd uitgeoefend. Daarbij kwam nog onze morele bevrediging. We zagen dat het goed was.

Sinds de socioloog Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw militair geweld en religie verwees naar het vroegste stadium van de menselijke evolutie, wordt religieus fanatisme nogal eens gezien als een belangrijke oorzaak van geweld. Bovendien wordt geweld gezien als iets primitiefs. Wat de waarde is van de literatuur, die ik hier heb gesignaleerd, weet ik niet. In ieder geval heeft zij ons geleerd dat de werkelijkheid aanmerkelijk ingewikkelder en verwarrender is.

mailIcon print |