recensie Wanneer is alle leed geleden? Strikt genomen in het graf. Maar is dat de enige troost? Is hier beneden het lijden niet te muilkorven? Elk geruststellend antwoord lijkt vals. Zolang er leven is, is er lijden. Dat geldt voor de hele geschiedenis en in het leven van afzonderlijke mensen.
Waarom moet dit lijden mij of wie mij lief is treffen? En waarom neemt mijn lijden geen einde? Waar is dit lijden nog goed voor? Over mogelijke antwoorden is heel wat geschreven. Maar voor veel mensen die de pijn van welk leed dan ook in lijf en ziel voelen, verdampen die woorden. Ze ervaren ze als goedkoop, als valse troost. Voor hen heeft de pastor-dichter Hans Bouma Alle leed geleden geschreven.
Wat biedt Bouma? “Geen theologie van het lijden, maar een persoonlijke verantwoording van de manier waarop ik theologisch en ook menselijk met het verschijnsel lijden probeer te leven”, schrijft hij in zijn 'Woord vooraf'. Een persoonlijke inzet dus, die hij het hele boekje vasthoudt. Nergens maakt hij een inzicht onkwetsbaar door een goddelijke legitimatie. Waarmee niet gezegd is dat hij geen zinnen schrijft die sommigen theologisch tegen het zere been zijn. Zo bestrijdt Bouma de klassieke opvatting dat de wereld met de schepping een volmaakt begin kende, maar door de zonde van de mens in verval is geraakt. De schrijver kan met deze optie niet uit de voeten. Als de schepping volmaakt goed was, hoe kon het kwaad dan een kans krijgen? Maar met deze vraag is hij er niet. Want andersom geredeneerd, ontstaan ook moeilijkheden: als het kwaad wèl als mogelijkheid in de schepping lag, is de Schepper dan dus mede-verantwoordelijk voor alle ellende? Is God de co-auteur van het kwaad?
Onderspit
Bouma gaat niet om deze vragen heen. Een belangrijk deel van zijn persoonlijk antwoord steunt op de overtuiging dat de schepping een soort project is, een werk dat op voltooiing wacht. Met de schepping is de chaos niet voor ons en altijd bedwongen. Wel is die volgens Bouma in Gods Hand. Het kwaad is aan grenzen gebonden en gedoemd om eens het onderspit te delven. Maar blijft de vraag waarom God voor zo'n concept heeft gekozen, waarom Hij de wereld wel goed maar niet volmaakt heeft geschapen. Bouma zegt het niet rechtstreeks, maar in zijn redenering ligt de overtuiging besloten dat de aarde zonder mensen die niet tot kiezen in staat waren, niet goed geweest zou zijn. Anders gezegd: het goede bestaat er mede uit dat mensen kunnen kiezen, dus ook het kwade. Een volmaakte wereld veronderstelt mensen die het vermogen tot kiezen ontberen, mensen die geen mensen zijn dus.
Toch blijven oorsprong en zin van lijden wringen. Ooit, schrijft hij, zal God het verlossende woord spreken; tot die tijd “zouden we genoeg kunnen hebben aan de gedachte dat de chaos een gegeven is dat hoe dan ook binnen Gods werkelijkheid valt.” Uit de voorzichtige woordkeus blijkt dat Bouma op dit punt aarzelt. Daar is ook alle reden toe. Velen hebben immers reden te over om het God kwalijk te nemen dat Hij het kwaad en lijden binnen Zijn werkelijkheid duldt, als dat overigens zo zou zijn. Eenzelfde reserve zou de schrijver hebben gesierd bij zijn woorden over de zin van lijden. In eerste instantie is het, ook volgens Bouma, nergens goed voor. Maar hierbij wil hij het niet laten. Om aan zinloos lijden te ontkomen, máken wij dat lijden ergens goed voor, schrijft hij. Lijden wordt goed voor manifestaties van pure menselijkheid, we kunnen er de bezieling aan ontlenen om voorrang te geven aan liefde en gerechtigheid, God bij te vallen in zijn keuze vóór het leven, tegen de dood, aldus Bouma. En: lijden roept medelijden, menselijke warmte, nabijheid, aandacht en tederheid op. Dit is even waar als gevaarlijk. Zonder die warmte en aandacht zou er nog veel meer lijden zijn. Maar medelijden maakt het lijden niet zinvol. Dat bedoelt Bouma ook niet, maar hij sluit deze optie ook niet nadrukkelijk buiten. Een verwijzing naar Dostojevski, die in 'De gebroeders Karamazow' Iwan laat tieren tegen alles wat riekt naar lijden als mest voor menselijkheid, was mij dierbaar geweest.
'Alle leed geleden' is met intense oprechtheid geschreven. Zonder reserve ziet Bouma de soms afgrijselijke aard van het lijden onder ogen. Maar wat de herkomst en betekenis ervan betreft, blijft hij mij te verkrampt zoeken naar een zingeving en uitzicht op een levensstaat waar alle leed zou zijn geleden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.