*

 

Alle geluk is herinnerd geluk

PETER DE BOER − 02/02/96, 00:00

recensie L. F. Rosen: Al het aardsch geluk. Van Oorschot, Amsterdam; 46 blz. - ¿ 24,90.

Het gebrek aan aandacht hing ook wel samen met de weinig opzienbarende uitstraling van Rosens gedichten. Het leek wel of de hele naoorlogse poëzie aan de maker van deze rustige, toegankelijke en traditionele verzen was voorbijgegaan. 'Adel' leek direct aan te sluiten op het parlando van Du Perron, de humor van Greshoff, het fantaïsisme van Hendrik de Vries en de weemoed van J. C. Bloem. Veel aandacht voor aftakeling en dood dus, veel omzien naar het onherroepelijk voorbije ook, maar ook veel relativering door middel van beheerste formuleringen en een subtiele humor.

Rosens weemoed is overigens beduidend minder illusieloos dan die van Bloem, die 'in poeticis' maar een enkele maal 'domweg gelukkig' durfde te zijn. Rosen weet, hoe sterk het besef van vergankelijkheid bij hem ook is ontwikkeld, het geluk toch beter in het vizier te houden dan zijn grote voorganger.

De titel van zijn nieuwe bundel, 'Al het aardsch geluk', komt dan ook niet uit de lucht vallen. Er klinkt weliswaar, ook vanwege de belegen spelling, de nodige ironie in door, maar toch. Na lezing van deze gedichten mag je concluderen dat zij inderdaad gericht zijn op het aanboren en conserveren van geluk. Van een heel 'aardsch', voor mijn part klein geluk van het soort dat al voorbij is voor je er erg in hebt. In 'Wasdag, strijkdag' zegt Rosen het zo:

Alle geluk is herinnerd geluk, ligt in een holte, in een stapel wasgoed. . . De linnenkast! Hoe dik en zacht het daaruit opbolde. Geen boekenkast vat meer van leven samen.

De herinnering is onlosmakelijk verbonden met de moeder, die dit wonder van zacht en kraakhelder geluk iedere week opnieuw tot stand bracht. Hoewel het voorbij is, ligt het geluk toch bijna tastbaar in het gedicht. Het is iets 'wat in haar kasten past', zo staat er elders in het gedicht. In zekere zin volgt de dichter zijn moeder feilloos na. Hij wast en strijkt zijn herinneringen en legt ze keurig opgevouwen in het kastje van het gedicht.

Zo bevat deze bundel vooral veel herinneringen aan een jeugd waarin alles nog een vaste plaats had: het linnengoed in de kast en het paradijs op een door de meester exact aangeduide plek ('zo precies alsof 't zijn vaderland betrof') tussen de Eufraat en de Tigris. Uit de verte klinkt reeds de lokroep van de jaren zestig, de tijd “van schoolagenda's, de Puch, en Berinitijd // Van elftalfoto's, magere popzangers en hun eerste / meisjes”. Net als in 'Adel' besteedt Rosen ook ruimschoots aandacht aan de schaduwpartijen op deze gelukstaferelen: de vroege dood van de vader, de aftakeling in later jaren van de moeder:

zo sprakeloos was zij al weinig moeder meer. Haar driemaal ja een volle pinkstertale. Het kon van alles zijn, van pijn tot pas gekochte jurk. Al vaker volgde een plotse zoen. Nog zo'n hoog soort wiskunde waarin de plus en min verdwaalden keer op keer.

De slotregels zijn typerend: Rosen speelt de plussen en minnen voortdurend tegen elkaar uit en eindigt meestal met een positieve balans.

Je kunt van deze bescheiden, maar in haar soort bepaald niet slechte poëzie, eigenlijk niet veel meer zeggen dan dat zij gevoelvol en vaak mooi in elkaar steekt. Voor grote gebaren en hemelbestormende visies moet je bij Rosen niet zijn, maar 'so what'? Zijn gedichten mikken op iets anders dan het absolute. Zij zoeken hun heil juist in het gewone, nabije en aardse. In het gedicht 'Beschermengel' krijgt zijn engelbewaarder dan ook een volstrekt alledaags, om niet te zeggen sjofel aanzien. “Ze (. . .) scharrelt wat in kamers, / ruikt aan snoeren, is lichtelijk bijziend / en eigenlijk iets te dik.” Nou niet bepaald het prototype van de hemeling, maar onder haar supervisie weet Rosen zijn onlustgevoelens toch elegant te bezweren. Bovendien kan er bij deze engel op z'n tijd wel een lachje af, wat speelse gedichten oplevert als 'Sater', dat je een ode aan het ingewand zou mogen noemen, en 'De ark'. Dit laatste ontrukt de herinnering aan een kalverliefde op humoristisch-gevoelige wijze aan de zondvloed der vergetelheid:

In de verbeelding komen ze. Gearmd. Over de loopplank. En schikken zich. Een stil rumoer van benen over benen. Zwart water klopt aan ramen.

Ze hadden het over jou, een dikke warme zomer lang. Twee tuinen verder. Hikkend van de lach wierp één haar bal. Op hun tenen stonden ze. Bij de heg. Knisperend kwamen

ze, zeldzame dieren, kwamen door de heg gekropen de Kleine Ademdief, de Rode Pantoffelloper, de Muis Met Vlek, de Bonte Tuimelaar, de Dochteren Israëls, de zusjes Koorevaar.

Hier is weinig op aan te merken, lijkt me. En weinig over op te merken ook. Het gedicht is typerend voor de hele bundel. Technisch zeer verzorgde, beheerste poëzie met een sterk communicatieve, 'inhoudelijke' inslag, waaraan net zolang is geschaafd tot zij vanzelf spreekt.

mailIcon print |