*

 

'Zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn'MYCOLOGIE

FRED DIJS − 31/01/96, 00:00

recensie Gaat het goed met de paddestoelen in Nederland? Dat is de vraag. Het gaat even niet slecht met de mensen die zich er professioneel mee bezig houden. In september 1995 verscheen 'Atlas van Nederlandse paddestoelen'. Op een speciale bijeenkomst van de Nederlandse mycologische vereniging, twee weken geleden, kreeg een vertegenwoordiger van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij het eerste exemplaar van 'Overzicht van paddestoelen in Nederland'. Alle Nederlandse paddestoelen hebben nu een Nederlandse naam. M. M. Nauta & E. C. Vellinga: Atlas van Nederlandse paddestoelen. A. A. Balkema uitgevers B.V., Rotterdam (1995); 352 blz. - ¿ 85,-. E. Arnolds, Th. W. Kuyper & M. E. Noordeloos: Overzicht van paddestoelen in Nederland. Nederlandse mycologische vereniging, Wijster; 872 blz - ¿ 55,- (leden ¿ 35,-).

Aan de Amerikaanse bankier R. Gordon Wasson (1898-1986) en zijn Russische vrouw, de arts V. Pavlovna Guercken (1958) dankt de wereld het onderscheid in 'mycofiele' en 'mycofobe' culturen. In hun prestigieuze boek Russia, mushrooms and history, een prijzig verzamelaarsobject uit 1957 waarvan in Nederland één exemplaar voor het publiek toegankelijk is in de bibliotheek van het Rijksherbarium in Leiden, tonen zij overtuigend aan dat hele volken van huis uit óf doodsbang óf helemaal weg van paddestoelen zijn, vermoedelijk als gevolg van een duizenden jaren oude paddestoelencultus in Siberië.

Toen de Engelse schrijver D. H. Lawrence wilde uitdrukken hoe beestachtig hij de bourgeois vond, “in het bijzonder het mannetje van die soort”, vergeleek hij hem met “een fungus die zijn leven zuigt uit de dode bladerresten van groter leven dan het zijne”. Terwijl van de Russische dichter Vladimir Majakovski juist bekend is dat hij de inspiratie voor zijn gedichten bij voorkeur opdeed door paddestoelen te gaan zoeken. Angelsaksen zijn mycofoob, Slaven mycofiel.

Waar de Nederlander staat, is duidelijk. Als je voor deze uitingsvorm van de natuur geen ander woord weet te verzinnen dan 'paddestoel', heb je kennelijk heel wat onredelijke gekkigheid in deze schepselen gods te 'projecteren' om een term uit de moderne psychologie te lenen. En dan te bedenken dat het woord is komen bovendrijven in een eeuwenlange geschiedenis van woorden als 'hekse-, wolve-, spoke-, duivels- en honde-brood/eten/vlees/kaas'.

Fijntjes schrijft in 1982 de dialectoloog C. Vos dat “de in het zuiden bekende samenstellingen met Jood en tater (Limburgs voor zigeuner, red.) ons een minder sympathieke kant van onze voorouders tonen”. Jodevlees, het wordt gelukkig niet meer gebruikt en staat zelfs niet meer in de Van Dale.

De Italiaanse historicus Carlo Ginzburg heeft in zijn boek Ecstasies duidelijk gemaakt dat het hier om een denkraam gaat uit de tijd dat antisemitisme een goed christelijk gebruik was en mannen en vrouwen tot heksen konden worden bestempeld om vervolgens op de brandstapel te belanden. Met de pad zou de heks een verbond hebben, van de stoel van de pad zou de heks zalfjes maken en die op de geëigende plekken van het lichaam smeren om in seksuele extase te raken. Het woord paddestoel verraadt een eeuwenoud hersenspinsel van angst voor de vreemdeling en zijn of haar seksualiteit.

Het was en is een hardnekkige spinsel. Aan Linnaeus hebben de biologen het systeem te danken waarmee ze alles wat groeit en bloeit van een dubbele Latijnse naam voorzien, een geslachts- en een soortnaam. Helaas had Linnaeus last van mycofobie en heeft hij aan de naamgeving van paddestoelen niet veel meer bijgedragen dan verwarring. Het gat werd opgevuld door vele generaties paddestoelenkundigen na hem, mycologen, hele en halve deskundigen die onderling allerlei oorlogjes uitvochten.

Dat laat zich tot op de dag van vandaag voelen. Een paddestoel heet in een gids bij voorbeeld Lepiota procera (Fr. ex Scop.) Quél., wat wil zeggen dat de heer Fries in 1821 in navolging van de heer Scopoli in 1772 de soortnaam 'procerus' (rijzig) aan de paddestoel heeft toegewezen en de heer Quélet in 1871 vond dat de geslachtsnaam 'Lepiota' (met schubben) moest zijn. Maar voor dezelfde paddestoel vind je in een andere gids Lepiota procera (Scop. ex Fr.) S. F. Gray zodat je niet meer weet of Scop. nou eerder was dan Fr. en of Quél. het nou beter wist dan S. F. Gray of andersom. Wel kun je er vergif op innemen dat het eerste boek van een Fransman is en het tweede van een Engelsman. Mycologen proberen tegenwoordig orde in de chaos te scheppen door paddestoelennamen op te nemen in de International code of botanical nomenclature maar daarover wordt nog steeds op ieder Internationaal botanisch congres gebakkeleid.

Toen Catharina Cool in het begin van deze eeuw aan haar paddestoelenboekje begon, zat ze dankzij de alom verspreide paddestoelenangst met een babylonische spraakverwarring over de Latijnse namen van paddestoelen en een vrijwel volledig ontbreken van Nederlandse namen. Cool was een zenuwzwakke domineesdochter in een vrouwonvriendelijke wereld die zich op aanraden van een zenuwarts op de natuurstudie had gestort.

Vol overgave. In haar boekje richt ze zich in een verhalende, enthousiasmerende stijl direct tot de lezer. De neiging is groot om eindeloos te citeren uit de 'Bibliotheek van De Levende Natuur, Het Paddenstoelenboekje', maar laten we ons tot de naamgeving beperken.

“Ik zou zoo graag zien, dat er zich zóó wat meer menschen met paddenstoelen bezig hielden, eenvoudig weg, vrij van alle geleerdheid of modezucht.” Een probleem waar ze mee zit, is dat er nauwelijks Nederlandse namen zijn voor paddestoelen, “alleen maar geleerde, min of meer barbaarsche namen, waarmede wij toch eigenlijk nooit goed vertrouwd raken en die ook maar slecht passen bij omgeving en bij zulke door-en-door natuurlijke dingen als paddenstoelen.” Cool hoopt “dat er vele zwammenvrienden zullen opstaan; langzamerhand zullen er dan veel meer aardige typeerende namen loskomen. Mocht dus deze of gene er eens een vinden of uit kindermond opvangen, dan verzoeken wij hem of haar, die te noteren en er ons bij gelegenheid melding van te maken.”

Cool komt tot een kleine driehonderd paddestoelensoorten en geeft ze allemaal een Nederlandse naam. Maar in de derde omgewerkte en uitgebreide druk van 1936, bijna 25 jaar later, bleven de aangehaalde zinnen staan. Veel vooruitgang was er in de naamgeving kennelijk niet geboekt.

Nederland herbergt duizenden soorten paddestoelen. Een paddestoelengids vermeldt daarvan meestal een paar honderd.

Jac. P. Thijsse beeldt er in zijn beroemde album uit 1929 “ongeveer een gros” af die allemaal een Latijnse en een Nederlandse naam meekregen. Een gids uit de jaren '30 van Swanenburg de Veye vermeldt zo'n tweehonderd “Nederl. Namen”. De Elseviergids uit 1975, bewerkt door dezelfde Swanenburg de Veye, noemt er “circa 600” en die betekenen, claimt de bewerker, “een zekere standaardisering voor alle Nederlandse benoemingen op dit terrein”. In de min of meer officiële Standaardlijst van Nederlandse macrofungi uit 1984 zijn twaalfhonderd Nederlandse soorten benoemd en door een commissie van mycologen van Nederlandse namen voorzien.

Ofwel, tot voor kort bestond er nog geen uitputtende lijst van paddestoelen in Nederland en stelden duizenden soorten het nog zonder Nederlandse naam. Daaraan is nu - om het gechargeerd te zeggen - in één klap een eind gekomen.

De paddestoelen in Nederland zijn het domein van de Nederlandse mycologische vereniging anno 1908. Daarvan zijn zo'n vijfhonderd mensen lid. De vereniging organiseert excursies en geeft een clubblad uit, Coolia, inderdaad genoemd naar Catharina Cool. Ze was bij de oprichting aanwezig en een is paar jaar bestuurslid geweest. De leden zijn 'zwammenvrienden' die langzaam maar gestaag de kennis van de Nederlandse paddestoelen vergroten. Maar de kar wordt getrokken door professionals, biologen verbonden aan wetenschappelijke instituten als het Centraal bureau voor schimmelcultures in Baarn, het Rijksherbarium in Leiden en het Biologisch station in Wijster.

Deze instituten kampen met problemen. De biologie heeft een legitimeringsprobleem. Is het een harde of een zachte wetenschap? Bèta of alpha? Waar of onwaar? Eigenlijk is biologie een beetje alletwee. Het geheim van het leven laat zich ontraadselen tot op het reilen en zeilen van een DNA-molecuul maar vraag een bioloog niet om uit zo'n molecuul een levend wezen te maken. Het leven is een wonder èn geen wonder, maar het geld voor biologisch onderzoek gaat vooral naar biologen die het geen wonder vinden.

Naar de harde biologen: de Sickboks, de levenskenners die denken in moleculen en modellen en in navolging van Francis Bacon bloedhonden op de natuur afsturen om haar uiteen te rafelen. En dat hebben ze gemerkt, de zachte biologen; de professoren Zonnebloem die paddestoelen zoeken omdat ze zulke mooi kleuren en misschien wel geneeskrachtige werking hebben. De taxonomen, de naamgevers, moeten om een nieuwe ijskast in hun instituut bedelen bij de afdeling biotechnologie, de modelbouwers. Ondertussen bederft hun waar.

Dat is haast letterlijk te nemen. In juni 1995 schreef de Biologische raad van de Koninklijke Nederlandse academie van wetenschappen een rapport over de grote biologische collecties in Nederland. Komt er niet gauw een miljoen of tien op tafel dan is het gedaan met een groot deel ervan.

Om zich niet te laten kennen doen de zachte biologen zich zo hard mogelijk voor. Wat ze in het veld vinden stoppen ze niet alleen in hun oude ijskast maar ook in hun nieuwe computer. Dan kun je mooie 'verspreidingspatronen' van paddestoelensoorten maken, staafdiagrammen van 'meldingspercentages per periode' en 'periodiciteit' en cirkeldiagrammen van 'verdeling naar partner'.

Dus verschijnt er, in september 1995, een boek met de aantrekkelijke titel 'Atlas van Nederlandse paddestoelen'. Alleen, het is geen atlas maar een boek met verspreidingspatronen en wetenschappelijke diagrammen en het behandelt slechts enkele honderden Nederlandse paddestoelen. Volstrekt onleesbaar en helemaal niet bedoeld voor de paddestoelenliefhebber maar voor de minister. Die kan aan de diagrammen zien dat het niet goed gaat met de paddestoelen in Nederland en daarop zijn beleid afstemmen door bij voorbeeld een in het Europa van Morgen gewaardeerde Rode Lijst van Bedreigde Soorten te laten opstellen.

De zachte bioloog kan met alle gegevens op zijn harde schijf in het voorbijgaan en met financiële steun van het ministerie ook nog een 'Overzicht van de paddestoelen in Nederland' uit zijn computer laten rollen. Wel moet het geld binnen het begrotingsjaar worden opgemaakt. Het resultaat is een boek van bijna negenhonderd pagina's met een beschrijving van bijna 3 500 soorten paddestoelen. Een standaardwerk zou je denken. Maar helaas, de enige die ermee uit de voeten kan is de bioloog van de computer zelf.

In het boekjaar van de minister was er geen tijd om indexen te maken, in het budget geen geld voor plaatjes. Dus stelt de bioloog wat huisvlijt beschikbaar in de vorm van aquarellen die hij op zondag maakt en pentekeningen die hij bij zwammenvrienden verzamelt. Hij belooft dat de index er gauw komt. Hij is apetrots op een boek waar niemand wat aan heeft, zelfs de beheerder van een biologische collectie niet. Zou die een zakje krijgen met het opschrift 'Lepiota procera (Fr. ex Scop.) Quél.', dan zou hij niet weten waar hij in het boek moest zoeken behalve als hij redelijk op de hoogte zou zijn en zou weten dat dat ding ondertussen officieel Macrolepiota procera heet. Noch onder 'Lepiota', noch onder 'procera', noch onder 'Parasolzwam', noch onder 'Grote' is er toegang te krijgen tot paddestoel 082.06.0 waarmee hij in het boek wordt aangeduid. De minister begrijpt er ook niets van maar vindt het mooi want het is dik en zijn vrouw schildert ook op zondag.

Vervolg op pagina 18

'Zoals Adam...' VERVOLG VAN PAGINA 17

Er zit heel veel werk in beide boeken, niet alleen van professionele biologen maar ook van amateurs. Eén van de grootste klussen was het verzinnen van meer dan tweeduizend nieuwe, Nederlandse paddestoelennamen. De zin daarvan werd lang niet door iedereen binnen de Nederlandse mycologische vereniging ingezien maar de voorstanders wonnen het pleit. Ze wezen op het feit dat bepaalde paddestoelensoorten in het natuurbeleid zijn verheven tot graadmeter voor de natuurzuiverheid van bepaalde terreinen en dat het daarom nuttig is ze Nederlandse namen te geven want dan kan het publiek het tenminste ook begrijpen.

De huidige nestor van de Nederlandse mycologie, dr. Kees Bas, gepensioneerd taxonoom van het Rijksherbarium, zat de commissie die de klus klaarde voor, omdat hij zich in 1984 ook al met naamgeving had bemoeid en graag volgens dezelfde afspraken wilde werken als toen. Hij noemt het verzinnen van tweeduizend namen in een jaar “een martelgang”. Tussen Kerst 1994 en mei 1995 heeft hij er full time aan gewerkt. Hoewel er toen nog honderd namen gedaan moesten worden, hield hij het voor gezien en ging op vakantie.

Catharina Cool wist hoe moeilijk het was om een “Hollandschen naam” te verzinnen. “(. . .) zoo'n naam wordt licht òf gekunsteld, gezocht, of zoo'n beetje poëterig, wat ook niet leuk is. Niet dat een naam niet poëtisch mag zijn. (. . .) Maar zoo'n naam kan je evenmin uit je mouw schudden als een mooi vers: dat moet, 'vanzelf' komen. Daarom hebben we maar ons best gedaan eenvoudige, vrij nuchtere namen te vinden (. . .) als: fluweelpootje (Collybia velutipes), goudvlieszwam (Pholiota aurivella), donsvoetje (Tubaria furfuracea), de zadelzwam (Polyporus squamosus). Niet altijd slaagden we naar wensch: bruine plaatjeshoutzwam (Lenzites saepiaria), wortelcollybia (Collybia radicata), purperroode houtzwam (Tricholoma rutilans), hebben we wel eens met een 'vooruit-dan-maar' neergeschreven.”

De nieuwe namen van nu zijn niet vanzelf gekomen, noch veel meer aardige typerende namen van vele zwammenvrienden, noch uit kindermond opgevangen, noch vrij van geleerdheid of modezucht, noch achteloos neergeschreven met een vooruit-dan-maar. Cool zou er waarschijnlijk niet blij mee zijn geweest. Als dochter van een predikant had ze zeker even aan Adam gedacht en er Genesis 2 op nageslagen. In de Statenvertaling: “(. . .) zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.”

De samenstellers van het 'Overzicht van de paddestoelen in Nederland' hebben zich de eerste mens gewaand met een heilige opdracht van de heer. Bovendien hebben ze zich de enige mens gewaand want ze hebben het boek zowel geschreven, vormgegeven als uitgegeven. De pil is alleen te krijgen bij vertegenwoordigers van de Nederlandse mycologische vereniging, niet in de boekhandel.

Het is te hopen dat een uitgever zich op afzienbare termijn over het boek ontfermt en het in de haast opgemaakte overheidsgeld nog een goede bestemming geeft door er vaklui aan te zetten, een schrijver die wel met zijn lezers van gedachten wil wisselen, een typograaf die voor de grote aantallen letters elegante oplossingen kan vinden en een illustrator die kan tekenen, kortom, door er een echt en waardevol standaardwerk van te maken. Adam liet het boek waarin zijn wandel vereeuwigd werd ook door andere mensen schrijven, vormgeven en uitgeven. Dat kwam het boek en zijn verspreiding ten goede.

Mensen die heel bang zijn, dieren trouwens ook, beginnen vaak ritueel gedrag te vertonen. Veertig keer per dag je handen wassen om besmetting te voorkomen maar daarna wel de bril van de wc steeds weer naar beneden doen. Onze diepverankerde mycofobie lijkt nu bezworen te moeten worden met het dwangmatig opnoemen van alle paddestoelen in ons land.

Dat komt niemand ten goede. Ook de bedreigde takken van de biologie niet.

mailIcon print |