*

 

Zaakwaarnemers-nationalisme kenmerkt Molukse strijd

CO WELGRAVEN − 09/02/96, 00:00

recensie Fridus Steijlen, RMS: van ideaal tot symbool. Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994, Uitgeverij het Spinhuis, Amsterdam, f 39,95

Dit gevoel is door de decennia heen zo sterk gebleken “dat het diverse gedaantes heeft kunnen aannemen”, zegt antropoloog Fridus Steijlen. “In de jaren vijftig en zestig omschreven Molukkers in Nederland de strijd voor een vrije republiek als: we doen het voor ons, en we doen het voor hen dáár, op de Molukken. Vanaf de jaren tachtig is de stemming: we doen het voor hen.”

'Zaakwaarnemers-nationalisme' noemt Steijlen die stemming. Molukkers in Nederland proberen met alle legale middelen de zelfbeschikking voor de Molukkers dáár te verwezenlijken. “Men eist zelfbeschikking omwille van hùn lotsverbetering”, staat er in de conclusies van zijn proefschrift 'RMS, Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994', waarop Steijlen (40) vandaag promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.

De letters RMS (Republik Maluku Selatan) hebben een andere symboolfunctie gekregen. Ze staan nu voor solidariteit met de Molukkers op de Molukken. En in de letters zit een onderscheidend element. Steijlen laat in zijn boek een Molukker van de zogeheten derde generatie aan het woord (jongeren die hier zijn geboren) die zegt dat Molukkers met het begrip RMS kunnen onderstrepen dat zij een andere achtergrond hebben dan Turken, Surinamers en Antillianen, die om heel andere redenen naar Nederland zijn gekomen.

Hard

De conclusies van Steijlen zijn soms hard, zeker voor Molukkers die nog steeds geloven in een Vrije Republiek der Zuid-Molukken en die er nog steeds vanuit gaan dat zij ooit zullen terugkeren. “Sinds 1951 (het jaar waarin de eerste generatie Molukkers, toen nog Ambonezen geheten, naar Nederland kwam) hebben zich op de Molukken en in Indonesië geen ontwikkelingen voorgedaan die de realisering van het RMS-ideaal dichterbij hebben gebracht.”

Vloeken in de kerk is zo'n opmerking niet meer, want ook in Molukse kring dringt het besef sterk door dat die republiek er niet inzit, en terugkeer al evenmin. Zelfs leden van RMS-regering in ballingschap erkennen dat. Molukkers hebben een sterke integratie doorgemaakt. Velen van hen bekleden goede maatschappelijke posities in Nederland.

Toch zullen de bevindingen van Steijlen niet overal in goede aarde vallen. “Ik sluit niet uit dat er Molukkers zijn die zeggen: die Nederlander snapt er geen zak van. Maar ik heb ook al reacties gehoord in de trant van: eindelijk iemand die zegt hoe het zit. Misschien is het voor mij als relatieve buitenstaander wel makkelijker om zo'n conclusie te trekken.”

Een echte buitenstaander is Steijlen niet. Hij werd in de jaren zeventig lid van een Molukse jongerenbeweging en kent de Molukse gemeenschap goed. Hij heeft voor zijn onderzoek archieven mogen inkijken van ministeries en van Molukse organisaties, en gesprekken gevoerd met vele Molukkers, van diverse generaties.

Steijlen heeft moeten constateren dat de geschiedenis van de Molukkers in Nederland bol staat van tragiek. “Het is één groot drama van misverstanden.”

Vooral tussen de Nederlandse regering en de Molukse leiders liep het voortdurend fout. Steijlen verwijt de achtereenvolgende kabinetten dat ze het Moluks nationalisme niet serieus genoeg genomen hebben: “De Nederlandse regering heeft een aantal kansen gemist. Men heeft zich niet verdiept in de betekenis van de RMS, heeft het ideaal altijd slechts afgemeten aan de technische realiseerbaarheid van de vrije republiek. De Nederlanders waren formalistisch, letten alleen op de kleine puntjes.”

Er was altijd wel iets waarop 'Den Haag' zich kon beroepen. In 1956 gingen de verhoudingen met de oude kolonie Indonesië ineens sterk achteruit. Dat verhinderde een gesprek met Jakarta over de toekomst van de Molukken en de Molukkers. In 1962 was er de kwestie-Nieuw Guinea, drie jaar later de staatsgreep en de val van Soekarno, weer een paar jaar later verbeterde de relatie met Indonesië, en toen had Den Haag er ook weer geen belang bij bij het regime in Jakarta de zaak van de Molukkers aan te kaarten.

Niet dat Nederland stilzat. Steijlen onthult in zijn dissertatie dat oud-minister van buitenlandse zaken Luns in 1966 pogingen in het werk heeft gesteld het leven te redden van Soumokil, de eerste RMS-president. “Hij had daar gigantisch mee kunnen scoren”, zegt Steijlen. Maar Luns hield het geheim, bang als hij was voor de reactie van de Indonesische regering. Z'n interventie liep overigens op niets uit. Soumokil werd geëxecuteerd.

In de jaren daarna kwam er een radicaliseringsproces op gang onder Molukse jongeren. Zij richtten zich aanvankelijk op Indonesische doelwitten in Nederland (de ambassade in Den Haag), later op Nederlandse bezittingen en Nederlanders: de treinkapingen bijvoorbeeld, waarbij doden vielen.

Er zijn meer plannen geweest, schrijft Steijlen bijna tussen neus en lippen door. Zo ging in 1974 een groepje bewapende Molukkers op weg naar het huis van minister van justitie Dries van Agt. “Daar aangekomen blijkt evenwel niemand thuis te zijn. Een betrokken Molukker vermoedt dat Van Agts afwezigheid te maken heeft gehad met de gelijktijdige gijzelingsactie van het Japanse Rode Leger in de Franse ambassade in Den Haag. Volgens hem verbleef Van Agt uit veiligheidsmaatregelen elders.”

Na de gewelddadige acties van eind jaren zeventig komt er onder de Molukkers een 'heroriëntatie'. Terugkeer wordt minder vanzelfsprekend, men gaat zich richten op een toekomst in Nederland. Af en toe slaat de vlam nog in de pan, zoals vorig jaar april toen de 45e verjaardag van de proclamatie van de RMS uitliep op ernstige rellen, maar Steijlen verwacht niet dat Molukkers opnieuw tot harde gijzelingsacties zullen overgaan.

Onmogelijk

“Molukkers voelen nu dat ze deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. En men wil zich in die samenleving niet onmogelijk maken.” Bovendien zijn bewegingen in andere landen, waar de Molukse jongeren zich in de jaren zeventig graag aan mochten spiegelen, aan het praten met hun aartsvijanden. Dat geldt in Noord-Ierland voor Sinn Fein, en dat geldt ook voor de Palestijnen.

Hoe het nationalismegevoel van de Molukkers zich gaat ontwikkelen, is moeilijk te voorspellen, zegt Steijlen. Er bestaat natuurlijk de kans dat het gaat verwateren, nu het onwaarschijnlijk is geworden dat grote groepen Molukkers teruggaan. Verwijdering ligt op de loer. Maar, zegt de antropoloog: “De binding met de Molukken blijft heel sterk, daar ben ik van overtuigd. Molukkers gaan er heen met vakantie, gaan er op bezoek, ze doen heel veel aan hulpverlening. En een Molukse achternaam vertelt nog steeds uit welk dorpje je komt.”

mailIcon print |