*

 

Die verderfelijke reïncarnatie: Ha, nóg een leven!

CHRIS RUTENFRANS − 09/12/97, 00:00

recensie De gedachte dat de menselijke ziel vele levens moet doormaken om uiteindelijk de eeuwigheid deelachtig te kunnen worden, bestaat al sinds mensenheugenis. Zij komt al voor in de ruim drieduizend jaar oude vedische leringen die ten grondslag liggen aan de hindoeïstische en boeddhistische filosofie. Maar ook in de westerse spirituele filosofie bestaat de reïncarnatiegedachte al heel lang. Zij vormde bijvoorbeeld een onlosmakelijk bestanddeel van de gnosis, de wijsheidsleer die aan het begin van onze jaartelling bloeide in het Egyptische Alexandrië en een sterke invloed heeft gehad op het vroege christendom. De gnosis is door de vroegchristelijke kerkvaders echter al gauw in de ban gedaan. In overeenstemming daarmee heeft het Concilie van Constantinopel in 553 de reïncarnatieleer afgewezen. Sindsdien heeft die leer een min of meer verborgen leven geleid. Pas in de negentiende eeuw zijn de begrippen karma en reïncarnatie, onder invloed van theosofie en antroposofie, weer meer in zwang gekomen. De laatste jaren zien we een toenemende popularisering van die concepten.

Onlangs verscheen het jaarboek van Civis Mundi dat negen opstellen over het onderwerp bevat. Acht van de negen zijn geschreven door mensen die werkzaam zijn (geweest) in de wetenschap. De bundel is geredigeerd door Civis Mundi-directeur en oud-hoogleraar publiekrecht S.W. Couwenberg. Deze ziet de huidige belangstelling voor karma en reïncarnatie als een gevolg van de “individualisering van het religieuze bewustzijn”.

De afgelopen tweehonderd jaar is het wetenschappelijke denken steeds meer beschouwd als de enige legitieme bron van kennis. Dat heeft de westerse wereld veel materiële welvaart opgeleverd, maar het heeft ook gezorgd voor een massale ontkerkelijking. De wetenschap kan de lacune die de kerkgodsdiensten hebben achtergelaten niet opvullen. Zij erkent slechts als werkelijkheid “wat in haar beperkte rationele begrippen te vatten valt” en kan geen antwoord geven op de grote levensvragen. Daarmee is het “nihilisme-probleem” ontstaan: “het besef dat ons leven in wezen een zinloos en absurd avontuur is”. Dat probleem is in deze eeuw verhuld gebleven doordat de totalitaire ideologieën lange tijd voorzagen in de behoefte aan zingeving. Nu ook die hun bestaansrecht hebben verloren, kan het nihilisme-probleem nog slechts worden opgelost door het individuele religieuze bewustzijn. De meer dan drieduizend nieuwe religieuze bewegingen in het westen mogen getuigen van de aannemelijkheid van Couwenberg's betoog. Couwenberg meent overigens dat karma en reïncarnatie heel goed geïncorporeerd kunnen worden in het christendom.

Een goed beeld van wat karma en reïncarnatie nu eigenlijk inhouden geeft de bijdrage van de enige niet-academische auteur in de bundel: de schrijver en Vishnoeïtische monnik Hendrik van Teylingen. Met grote precisie en overtuigingskracht beantwoordt Van Teylingen de cruciale vraag die hij als titel aan zijn stuk heeft meegegeven: “Wat reïncarneert er precies en hoe en waarom?” De vedische opvatting van Van Teylingen komt in het kort hierop neer. Aanvankelijk verblijft de onstoffelijke ziel met haar fijnstoffelijke lichaam - dat bestaat uit het vermogen om te denken, te voelen en te willen en de zintuiglijke vermogens - als zuiver bewustzijn in het Brahman: de onpersoonlijke Goddelijke gloed die uitgaat van de Hoogste Godspersoon Bhagavan. Zogauw zij een vibratie uit de aardse sfeer der uitbuiting uit vrije wil tot zich toelaat, gaat de ziel deel uitmaken van die sfeer. Dan incarneert de ziel door een grofstoffelijk lichaam aan te nemen. Al naargelang de kwaliteit van het handelen van de combinatie van fijn- en grofstoffelijk lichaam gedurende het aardse leven verandert het fijnstoffelijk lichaam van gesteldheid. Het resultaat van dat handelen wordt karma genoemd. Afhankelijk van het karma aan het eind van het leven “wordt de koers van de ziel naar het volgende grofstoffelijk lichaam bepaald”. Het is uiteindelijk de bedoeling dat de ziel zich geheel losmaakt van haar fijnstoffelijk lichaam. Daartoe dient zij zich absoluut toe te wijden aan de Hoogste Godspersoon. Deze positieve weg leidt door de Brahmangloed heen naar Gods persoonlijk Koninkrijk dat zo heerlijk is dat terugvallen onmogelijk is. De negatieve weg van wereldverzaking leidt daarentegen slechts tot algehele versmelting met dezelfde Brahmangloed van waaruit men vertrokken is en van waaruit men ook altijd weer in de stof kan belanden.

Dit is duidelijke taal die ook meteen de zin en het doel van het leven op aarde verklaart: de menswording geeft de ziel de unieke mogelijkheid voorgoed in het Koninkrijk Gods te belanden, wat de enige manier is om nooit weer terug te hoeven keren naar het aardse tranendal. Van Teylingen drukt de lezer met klem op het hart dat het “van immens belang” is te begrijpen “dat het persoonlijke aspect van God, Bhagavan, de factor is die aan de reïncarantie haar zin geeft”. In zijn nadruk op het belang van een Persoonlijke God, maar ook in het concept van een Drievuldigheid Gods (Brahman-Heilige Geest; Paramatma-Zoon; Bhagavan-Vader), staat het vedische denken vrij dicht bij het christendom.

Dat roept de vraag op waarom het christendom de leer van karma en reïncarnatie eigenlijk heeft verworpen? Daar zijn verschillende antwoorden op gegeven. Een ervan is dat deze leer de verantwoordelijkheid voor het door mensen ervaren kwaad en lijden legt bij de menselijke persoon zelf. De historicus Huizinga noemde al in 1903 het leerstuk van karma “eene vergeldingsleer, waarbij de genade buiten spel blijft”. Onze westerse geest “moet het walgen, het ongeluk van iemand, die ons lief is, toe te schrijven aan zonden die hij zelf niet kent”. Maar moet de westerse geest dan niet evenzeer walgen van het christendom dat het ongeluk van mensen toeschrijft aan een zonde, t.w. de erfzonde, die zij zelf niet alleen niet kennen, maar ook niet hebben begaan? En was het werkelijk een troost voor de ouders van een vroegtijdig gestorven kind dat hun christelijke God er een behagen in schept hen die Hem het meeste lief zijn het eerste tot zich te nemen? En is de atheïstische toeschrijving van het lijden aan de willekeur van het toeval niet nog veel wreder? Goed, er zijn gradaties van wreedheid, maar hiertussen is het toch moeilijk kiezen. Waarschijnlijk is het onmogelijk een verklaring te geven voor het menselijke lijden, die verstandelijk én gevoelsmatig bevredigend is.

Verder heeft het christendom bezwaar tegen de zelfverlossing die inherent is aan de reïncarnatieleer. Het christendom leert dat Christus ons heeft verlost door met zijn lijden en dood de Vader-God te verzoenen. Binnen deze stringente opvatting is de mogelijkheid van zelfverlossing inderdaad een blasfemie. Maar bij een wat ruimere interpretatie is het denkbaar om aan de goede werken van mensen een medeverlossend effect toe te schrijven.

De afwijzing van de reïncarnatieleer door de Kerk in de zesde eeuw werd, zo lijkt het, vooral ingegeven door begrijpelijke psychologische motieven. Het oosterse denken ziet het aardse leven als een groot kwaad waarvan je je maar het beste zo snel mogelijk kunt bevrijden. Dat kan alleen door je psychisch te onthechten. In die opvatting is reïncarnatie een straf.

Het westerse denken is daarentegen sterk levensbevestigend. Reïncarnatie heeft hier dan ook vaak een positieve klank: 'Ha, straks wéér een leven.' Vanuit de psychologie van de westerse mens geredeneerd kon de reïncarnatiegedachte daarom onmogelijk een gunstige morele invloed hebben. Die gedachte had eenvoudig een veel minder afschrikwekkende werking dan het vooruitzicht op de eeuwige verdoemenis na slechts één leven, en moest daarom wel worden afgewezen.

mailIcon print |