recensie Bart Moeyaert, die in de jaren tachtig als jeugdauteur debuteerde, brak in 1995 definitief door met 'Blote handen'. Hij kreeg maar liefst vier prijzen voor dit boek, waaronder de Zilveren Griffel 1996 en de prestigieuze Deutsche Jugendbuchpreis 1998. Nu zeggen prijzen niet alles, maar deze score mag er toch zijn. Moeyaert maakt zijn faam geheel waar in zijn nieuwe boek 'Het is de liefde die we niet begrijpen'.
Het is een kleine, knap geregisseerde jeugdroman vol gestileerde treurnis. Zinnen als: ,,Door de hond ligt er altijd verdriet voor de deur' liggen overal voor het oprapen. Al neigt het soms een beetje tot mooischrijverij, grosso modo zijn de stijl en Moeyaerts evidente gevoel voor sfeer perfect met elkaar in evenwicht.
Het boek is bestemd voor lezers van 15 jaar en ouder. Het offert eigenlijk nauwelijks aan typisch (post)puberale sentimenten, laat staan aan trendy pubertaal als 'Yes!', 'Droog!' en 'Heftig!'. In dit opzicht is het min of meer leeftijdloos. Wel is de jeugdige hang naar liefde en geborgenheid een prominent thema, maar daar kun je bij volwassenen ook mee aankomen. In slechts drie hoofdstukken schetst Moeyaert de escalerende spanning in het gezin van een alleenstaande moeder en haar vier kinderen. Twee van de kinderen, dochter Bonnie, die al zelfstandig woont, en zoon Axel zijn al volwassen. De beide anderen zijn de plusminus veertienjarige ik-vertelster, wier naam nergens in de roman wordt genoemd, en haar kleine zusje Edie.
Terwijl broer en zussen elkaar allerhartelijkst, bijna moederlijk bejegenen, laat de moeder zelf het op dit punt afweten. Haar erotomane levenswandel is ook de oorzaak van alle spanning. Zij sleept almaar nieuwe minnaars mee naar huis, die als snel passerende invalvaders onder de kinderen grote onrust veroorzaken. Bovendien gaat zij er regelmatig voor langere tijd met haar amants vandoor.
Deze gegevens worden in de roman zelf slechts stukje bij beetje prijsgegeven. Deze suspense-techniek, die de onzekerheid over hoe de zaken precies liggen vergroot, voert de spanning op suggestieve wijze steeds verder op. Zo blijft in het eerste hoofdstuk, waarin het gezin mét moeders minnaar van de dag, ene Bordzek, per auto op weg is naar Bonnie, lang onduidelijk waarom Axel nou zo kwaad is. Het is een snikhete dag en de sfeer is in meer dan één opzicht om te snijden. Als Axel de auto abrupt in de berm zet en met moeder uitstapt, ontstaat er tussen hen een explosieve ruzie.
We nemen dit - alweer een techniek met suggestieve lading - vanuit de verte waar, want de vertelster is om haar zusje Edie het ergste te besparen snel van de onheilsplek weggelopen. Van op afstand zien we hoe Bordzek, die in slaap gevallen is, hard op zijn gezicht gaat als Axel het portier opent, hoe de laatste zijn moeder een klap geeft en zij op haar beurt hem tegen de grond slaat. Dit alles wordt als in slow motion beschreven. Hierna vlucht de vertelster met Edie een korenveld in en hóren we alleen nog maar wat er gebeurt: de auto die start en met piepende banden achteruitrijdt. Zou Axel de nog op de grond liggende Bordzek. . .? Hoe de ruzie afloopt en waarom Axel zo op Bordzek gebeten is, vertel ik niet, maar er vallen geen doden en het geagiteerde vijftal vervolgt veilig zijn weg.
Na deze broeierige opmaat is het tweede hoofdstuk bijna luchtig van toon. Grootmoeder is gestorven en heeft bij testament bedongen dat bij de erfenis het verlenen van kost en inwoning aan haar veronderstelde verzorger, ene 'Skip de Bootsman', is inbegrepen. Die naam alleen al wekt bij Axel en de vertelster hooggestemde verwachtingen: ,,Let op mijn woorden. We krijgen een vader die deugt', aldus Axel. De vertelster voegt hier nog bakvisfantasieën over een flinke blonde man met fraaie bakkebaarden aan toe. In een tragikomische scène op het station blijkt Bootsman in werkelijkheid verre van een knappe vader in spe: hij is een uitgemergelde, mummelende oude man in een rolstoel. Moeder vloekt, maar de vertelster is snel over haar teleurstelling heen: ,,Nu het Bootsman is, vind ik het ook goed. Eindelijk rust van een man die niks wil.'
Het derde hoofdstuk is een desolate en tegelijk vredige zomeravondvertelling. Axel heeft na alweer een ruzie het huis verlaten en moeder is weer eens de hort op. De vertelster mist Axel enorm en houdt hem in haar fantasie als het ware bij de actuele gebeurtenissen betrokken. Zijn aanwezige afwezigheid versterkt de sfeer van gemis. Niettemin weet de vertelster, mede dankzij Bonnie, die tijdelijk in huis is teruggekeerd, een schijn van huiselijkheid op te houden, waarbij de zorg voor Edie en Bootsman als bindmiddel fungeert.
Tussen diverse voorvallen door springen twee gebeurtenissen eruit. Ze zijn op het oog zo bijzonder niet maar Moeyaert stileert ze tot iets aangrijpends. Eerst geeft Bootsman, de eeuwig mummelende en dazende, duidelijk hoorbaar te verstaan dat hij Axel mist. En vervolgens sleept zijn stokoude hond zich naar het grasperk en begint van diep uit zijn keel tegen de maan te huilen: ,,Hij tuit zijn lippen bijna als een mens. Het geluid laat hij voorzichtig los. Hij stuurt zijn gehuil aarzelend naar de maan, maar het draagt niet ver. Het verspreidt zich als een bries. Het is dun.' Als huilen zo mooi en dun wordt opgeschreven en de vertelling met een etherische symboliek omhult, dan heeft het iets troostrijks. De slotconclusie van de vertelster luidt dan ook: ,,Heel gelukkig zijn we hier nog niet geworden, maar het kan erger.'
Er zou over dit kleine, boordevolle boek nog veel meer te zeggen zijn. Over pathologische gezinscommunicatie bijvoorbeeld. Het is typisch iets voor fijnproevers. Voor jongeren die literair al enigszins gevormd zijn. En voor ouderen die nooit genoeg kunnen krijgen van de stijlvol en poëtisch in beeld gebrachte wisselvalligheden van het lot.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.