*

 

Konin, om twee voor twaalf behoed voor vergetelheid

RUUT VERHOEVEN − 08/02/96, 00:00

recensie Theo Richmond, 'Konin, een zoektocht', 546 blz., Wereldbibliotheek, ¿ 59,50.

De Brits-joodse schrijver/documentarist/journalist Theo Richmond heeft ertoe bijgedragen, dat Konin een onuitwisbare klank in de wereld gekregen heeft, ook al beperkte hij zich tot het verleden, meer specifiek het joodse verleden van de stad. Vorig jaar verscheen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten het boek van zijn hand: 'Konin, a quest', een uniek document over het leven van de joodse gemeenschap in Konin, de geboortegrond van zijn ouders, grootouders en vele familieleden. Die gemeenschap had als gevolg van de holocaust na de tweede wereldoorlog opgehouden te bestaan. Van de meer dan 2700 joden die in 1939 in Konin woonden, waren er na de oorlog slechts enkelen overgebleven.

Dat het boek (onlangs verscheen de Nederlandse vertaling, de Duitse, Italiaanse en Poolse editie volgen binnenkort) de omvang zou krijgen die het uiteindelijk kreeg, ruim vijfhonderd pagina's, had Richmond in eerste aanleg allesbehalve verwacht. “Met de kennis die ik had over Konin kon ik maximaal één pagina vullen. Ik wist bijna niets over dit onderwerp, ondanks het feit dat ik in mijn jeugd in Londen die naam talloze malen heb horen noemen. Mijn ouders spraken bijna nooit over hun tijd in Konin, en om een of andere reden vroeg ik ze er nooit naar. Ik kende in feite maar één man die me over zijn jeugd in Konin kon vertellen, en die man was al behoorlijk oud. Ik had me later voorgenomen hem het eerste exemplaar van 'Konin' te geven, maar op de dag dat het boek verscheen, bleek hij te zijn overleden.”

Richmond besloot in januari 1987 - zijn ouders waren enkele jaren daarvoor kort na elkaar overleden - tot het schrijven van een boek over Konin. Zes maanden gunde hij zich de tijd om materiaal te verzamelen en uit te werken. Hij staakte 'tijdelijk' zijn werk als freelance journalist en documentarist, liet zijn vrouw, de Britse romanschrijfster Lee Langley, alle huishoudelijke rekeningen betalen en installeerde zich achter een bureau in háár werkkamer, met de rug naar zijn vrouw toe. “Aan haar tolerantie en toewijding is het te danken dat dit avontuur niet in een echtscheiding geëindigd is”, bekent hij achteraf.

Die zes maanden bleken een schromelijke onderschatting van de arbeid die Richmond zou verrichten. Uiteindelijk voltooide hij zijn project na zeven jaar zwoegen en zweten. In totaal sprak hij zeventig mensen uit Konin - inmiddels geëmigreerd naar Groot-Brittannië, de VS en Israël - die in staat waren het verhaal over hun jeugd, hun leven in het vooroorlogse Polen na te vertellen. Alle interviews nam hij op band op, wat vierhonderd uur materiaal opleverde. “Om die helemaal uit te schrijven kostte al bijna een jaar.”

Daarnaast volgde hij een intensieve cursus Jiddisch op de universiteit van Oxford en bezocht hij twee jaar lang één keer per week een avondschool om de vele schriftelijke bronnen, waaronder het 'Gedenkboek van Konin' dat in 1965 in beperkte oplage in Israël was uitgebracht, te kunnen vertalen. “Jiddisch mag misschien niet zo moeilijk lijken, omdat het veel Duitse woorden bevat, maar vanwege de Hebreeuwse karakters leest het bijzonder lastig.”

Konin groeide voor Richmond al snel uit tot een obsessie, “een milde vorm van krankzinnigheid. Ik realiseerde me dat dit boek een deel van mijn eigen verleden is. Mijn familie van beide kanten heeft daar gewoond. Ik heb veel familie in de oorlog verloren. Van de joodse begraafplaats in Konin was na de oorlog niets meer over. Geen kiezelsteentje. Niks. Ik kan er niet tegen dat iets voorgoed verdwijnt, als er geen enkel teken achtergelaten wordt. Via mijn boek hoopte ik de levens van de Koniners te herdenken. Ik was wellicht de enige die de joodse gemeenschap van Konin kon behoeden voor de vergetelheid.”

Niemand ter wereld is volgens hem nu nog in staat zijn werk te overtreffen of zelfs maar over te doen. “Ik ben heel blij dat ik om twee voor twaalf aan dit boek begonnen ben. Al zou ik miljoenen geboden krijgen, het zou me nu niet meer lukken een boek over Konin te schrijven. Veel van de mensen die ik sinds 1987 gesproken heb zijn inmiddels dood, te oud of te ziek om nog te getuigen. Een vrouw, Lola Birnbaum, beschreef haar huwelijksdag op 27 november 1921 in Konin tot in de kleinste details. Nu is ze over de negentig en is haar geheugen kwijt.” Richmond wijst op de foto's in zijn boek. “Hij is inmiddels dood, hij ook, en hij is nu erg ziek. . .”

Richmond begon zijn onderzoek naar de joodse leefgemeenschap in Konin nagenoeg vanaf het nulpunt. Zelfs het grootste museum in Israël over de joodse geschiedenis en de diaspora had niets over Konin. Ook in de bibliotheek in Konin ontbrak de geringste informatie over de historie van de joden in die stad. Alles was door de Duitsers vernietigd. Richmond stuurde een exemplaar van zijn boek naar Polen. “De jongeren van Konin willen lezen over de historie van hun stad. Ik heb ze daar nu een stukje van teruggegeven.”

Richmond vergaarde vooral informatie via persoonlijke gesprekken met oud-Koniners. Die leidden soms weer tot gesprekken met anderen. Vaak moest hij het doen met een naam, soms met een beroep, een oud adres of een verjaard telefoonnummer. “Wat ik deed, was je reinste detectivewerk. Je moest heel alert zijn op de kleinste details. Ik beleefde prachtige momenten, als ik weer een stapje verder kwam, en baalde verschrikkelijk, als bleek dat een belangrijke getuige die ik had opgespoord, vlak voordat ik hem of haar wilde interviewen, was overleden.”

Niet iedereen wilde hem te woord staan. “Drie mensen met een verleden in Konin konden het niet opbrengen over hun ervaringen te praten. Die waren bang om alles op te rakelen, vooral over hun leven in de kampen. Ik respecteerde en accepteerde dat. Anderen bedankten me juist voor de interviews. Die vertelden dat ik herinneringen uit hun jeugd naar boven had gehaald. Dingen waar ze al jaren niet meer aan gedacht hadden. Alles verdrongen door de sjoa. In New York bezocht ik een doodzieke vrouw in een ziekenhuis. Ze leefde helemaal op, toen ik met haar sprak over haar jeugd, dat ze 's zomers ging zwemmen in de Warta, de rivier bij Konin, en daar 's winters op de schaatsen stond.”

Richmond schuift in zijn hotelkamer de vitrage opzij, kijkt vanaf de derde verdieping naar buiten en wijst op de bevroren Herengracht. “Dat is nou typisch een beeld van Konin zoals mijn moeder dat schetste in een van de spaarzame momenten dat ze over haar geboorteplaats sprak.”

Richmond, geboren als Ryczke, heeft nooit de intentie gehad een familiekroniek te schrijven en evenmin een boek over de holocaust. Hij wilde het dagelijks leven schetsen zoals zich dat tussen de eeuwwisseling en de Duitse bezetting in 1939 had voltrokken. “'Konin' beschrijft in feite de leefwijze van alle joodse gemeenschappen in Polen van voor de oorlog. Het is een soort microkosmos. Ik sprak met Koniners over hun geloof, de plekken waar ze baden, maar ook over het soort toiletpapier dat ze gebruikten, hoe vaak ze wasten, waar ze hun water haalden, met z'n hoevelen ze een kamer deelden, hoe de bedden waren, over bijgeloof, hoe ze omgingen met ziekte, enzovoort. Ik heb mensen gesproken die in die tijd nog nooit een vliegtuig of auto gezien hadden; die zich verplaatsten met paard en wagen.”

Hoewel hij er niet op uit was, ontkwam Richmond niet aan de verhalen over de Duitse gruweldaden in de tweede wereldoorlog. “Ik zei tegen de Koniners: ik weet hoe de geschiedenis is afgelopen, niet hoe ze begonnen is. In Israël sprak ik een vrouw die per se over Auschwitz wilde praten. Ik kon haar daar niet vanaf houden. Nooit eerder had ze er met iemand over gesproken. Sinds Auschwitz had ze last van zware hoofdpijnen. Geen arts kon haar genezen. Kort na ons gesprek liet ze me weten dat de hoofdpijn verdwenen was.”

Een belangrijk element in het boek van Richmond vormt de relatie tussen christenen en joden. De Brit zingt niet mee met de wolven in het bos die vinden dat de barbaarse Polen de joden tijdens de oorlog massaal in de steek gelaten hebben. “Wie ben ik om te oordelen? Vast stond, dat hulp aan joden in de oorlog onmiddellijk de doodstraf betekende voor de hulpverlener en zijn familie. Ik durf niet te zeggen dat ik mijn leven gewaagd zou hebben om dat van een ander te redden. Zeker is, dat een gedenkteken in Jeruzalem meer namen bevat van Polen die joden geholpen hebben dan van welke andere natie ook. Natuurlijk was er in Polen antisemitisme en achterdocht en waren er vooroordelen jegens joden. Maar joden en christenen leefden tot in de jaren dertig over het algemeen vreedzaam naast elkaar.”

Richmond prijst zichzelf niettemin gelukkig in Londen te zijn geboren en opgegroeid. “Konin bewaar ik als een kostbare schat. Het verleden, de cultuur en de traditie zijn ook een deel van mij. Ik bewonder de ongelooflijk sterke gemeenschapszin van de Koniners, de bereidheid om elkaar te helpen en hun diepe gelovigheid. Niettemin probeerden veel mensen te ontkomen aan de armoede in Konin. Polen was in die tijd een straatarm, overbevolkt land zonder industrie. De meesten moesten echter berusten in hun uitzichtloze bestaan. De wetenschapper Leopold Infeld, de rechterhand van Einstein, schreef ooit over zijn tijdelijke woonplaats: 'Konin is het symbool van verloren hoop'.”

mailIcon print |