recensie Tonnus Oosterhoff: Kan niet vernietigd worden. Verhalen. De Bezige Bij, Amsterdam; 138 blz. - ¿ 26,50.
Oosterhoff houdt kennelijk van verhalen waarin veel onuitgesproken blijft en de verbanden raadselachtig zijn. Het gladstrijken van kreukels of het ongedaan maken van tegenstrijdigheden ligt niet in zijn lijn. Eerder doet hij er nog een schepje bovenop, om de verwarring te vergroten, of hij bekent ruiterlijk dat het onderhavige verhaal 'martelend slecht' verteld wordt.
De helft van de bundel bestaat uit zo'n chaotiserend vertelde en door kleine hoofdstukjes gefragmenteerde geschiedenis, waarin ook nog tekeningen zijn opgenomen en veel citaten uit onder meer de Bijbel, Novalis, Blake, Hadewijch. 'Bemoeilijkte vorm' noemt de verteller deze presentatie op een zeker moment, daarmee niet alleen blijk gevend van inzicht in zijn werkwijze, maar ook van de opzettelijkheid ervan.
In dat lange verhaal, 'Een spookgeschiedenis' heet het, speelt de verteller een gevoel parten dat hij zelf 'de ergste ziekte voor een verhaal' noemt: “Dat alles gelijktijdig gebeurt en iedereen jan en alleman is.” Een verhaal dat aan die ziekte lijdt, wordt natuurlijk heel moeilijk, op het krankzinnige af. Zodra identiteiten niet meer vaststaan en onderling verwisselbaar zijn, zodra ook tijdsverloop er niet meer toe doet, wordt de vertelde wereld één grote soep en moeten ook de taal en de syntaxis eraan geloven, want die houden per traditie de chaos in het gareel.
Toch lijkt het Oosterhoff in 'Een spookgeschiedenis' wel begonnen te zijn om de uitbeelding van zo'n onmogelijk adequaat te beschrijven bewustzijn, waarin alles in en door elkaar tolt. Een cruciale passage in dit verband lijkt mij: “Een besef dat me nooit weet te verlaten - ik kan niet normaal (meer) vertellen - juist door dat besef: dat in een mens, misschien alleen maar in het woord 'ik', hele werelden en tijdperken opeengeperst zitten. Ik ben bijvoorbeeld nooit níet de man van Odette geweest, ook toen was ik al met Tonny getrouwd, Hetty leefde al die tijd, ik ben altijd dood geweest. Terwijl ik me schuldig maak, ben ik nog onschuldig, en onschuldig ben ik al schuldig. Ik kan het niet goed uitleggen: alles gebeurt altijd tegelijk.”
'Een spookgeschiedenis' is een verhaal dat in laatste instantie over het vertellen zelf gaat en over de moeilijkheden die ermee gepaard gaan. Met nadruk wordt het vertellen van een verhaal onderscheiden van het verslag doen van de werkelijkheid. Oosterhoff, die in zijn verhalen nooit de dichter verloochent die hij ook is, weet dat alles in een verhaal een kwestie van taal is, van woordkeuze, zinsbouw, van vorm. De bundel heeft weer een hoog soortelijk gewicht aan opmerkelijke, vreemde, beeldende, verrassende, mooie formuleringen. Daarin schuilt vooral de kracht en de werking van deze verhalen.
Ook 'Goudkleurig colbert' sluit aan bij het thema van de identificatie of het zelfverlies. Het verhaal bestaat uitsluitend uit observaties van de overburen, een man, een vrouw en hun twee kinderen. De verteller zijn wij, wij wonen aan de overkant: “WIe zijn we toch, wat zou er van ons zijn als niet ons hart uitging naar hen van de overkant?” Toch worden die overburen ook als zeer anders, zelfs als een 'ondersoort' beschouwd, maar dat maakt de gefascineerdheid niet minder en ook niet minder begrijpelijk. De distantie, die noodzakelijkerwijs een belangrijk element van het verhaal is, zorgt voor schitterende momenten en vergroot het ronduit tragische effect der gebeurtenissen.
Een ultieme vorm van zelfverlies is de dood en daarover gaat het in 'Lie Tze spreekt een schedel toe'. De kweker Meiland besluit zich te verdrinken, omdat hij “had geknoeid toen het minder ging”. Voor het laatst, 's ochtends vroeg, verzorgt hij zijn kassen en dan, zijn vrouw slaapt nog, loopt hij het dorp uit naar zee. “De ochtend was begonnen ongewoon te worden.”
Het kan nog veel ongewoner, want eenmaal verdronken, blijft hij gewoon doorlopen over de zeebodem en leeft hij gestorven dus nog in een bepaalde mate voort. “In de dood van Meiland brak een fantastische periode aan.” Zijn stoffelijke resten gaan in deze waterige Hades zelfs een gesprek aan met een jeugdvriend, die jaren geleden voor het vaderland is verdronken in de Javazee, en die helemaal hiernaartoe is gekomen. Maar ook deze ontmoeting kan vanzelfsprekend de diepere dood, de tweede, niet tegenhouden en op het laatst keert de man terug “in de grote machinerie waar het allemaal uit kwam”. “Zo of toen vereenzelvigde de Noordzee zich met hem, en de kweker Jakob Meiland werd zee.”
In de laatste verhalen van de bundel overheerst minder de verinnerlijkte, chaotiserende kant en probeert Oosterhoff de raadsels en geheimen van de buitenkant, de oppervlakte aan het licht te brengen, bijvoorbeeld door zo nauwkeurig mogelijke beschrijving. 'Naar de aanschouwing' is dan ook geen verhaal in de gebruikelijke zin van het woord - dat kan wel van al deze verhalen gezegd -, want het bestaat uit een reeks niet met elkaar samenhangende observaties. Het enige waarin het verhaal samenhang vertoont, is juist in het observerende karakter van de onderdelen. En hoe aanschouwelijk zijn die beschrijvingen:
“Ze vertelt druk, in haar stoel voorovergebogen, haar elleboog op haar knie, de hand als een vlag op de pols, vlak voor haar kin. Haar weg. Haar weg. De andere hand wrijft langs het scheenbeen, haar vingers maken op de wreef een harkje, dat krabt langs het onderbeen omhoog, twee, drie maal. Ze kijkt langs haar been naar haar voet, stoft met de hand het scheenbeen af. Gaat opeens achterover zitten, twee handen aan de leuningen. Dan weer voorover.”
'Naar het oppervlak', ten slotte, is een verhaal, dat zoals de titel al belooft, onder geen beding psychologisch, laat staan filosofisch wil worden en puur en alleen de waarneembare feiten en gebeurtenissen van één dag op camping De Hullekamp wil noteren, geselecteerd natuurlijk door de verteller en ook in zijn bewoordingen. Dat levert mooie waarnemingen op als: “een aangebroken pak suiker met een wasknijper in zijn oor”. De meest gewone dingen mogen zich in Oosterhoffs warme belangstelling verheugen. Dit verhaal is een hommage aan de oppervlakte, die zoals men weet zelf weer zijn eigen diepte heeft en bij nader inzien, zeker als ze zo beschreven wordt als Oosterhoff doet, vol geheimen zit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.