recensie Herman Franke: Nieuws van de nacht. Balans, Amster dam; 156 blz. - ¿ 29,90.
Vroeger las je op de titelpagina wel eens de schijnheilige waarschuwing dat elke gelijkenis met bestaande personen op toeval berustte. Als doorgewinterde lezer wist je onmiddellijk waar je je aan te houden had en je zette je gnuivend tot lezen.
Die hint ontbreekt helaas in onze moderne literatuur en de vraag of de grootvader van de schrijver-hoofdpersoon zijn vrouw ook werkelijk om zeep heeft gebracht, is niet langer de zorg van biografen en van het slachtoffer zelf, maar ook van de lezer. En waarschijnlijk ook van de auteur.
En dát is niet nieuw. “Hemelse goon, hoe komt de schijn zo naar aan 't wezen, / Het leven droom, en droom het leven zo gelijk?”, dichtte Hooft in 1610.
Herman Franke, van wie na 'Twee eeuwen gevangen' (een 920 bladzijden dikke Aula-pocket over misdaad en straf in Nederland) twee romans zijn verschenen, haalt de autobiografische elementen vele malen door de gehaktmolen voor hij ze gebruikt:
“Maar uit angst voor slachtoffers misschien, en omdat ik tijdens het schrijven niet door de werkelijkheid gehinderd wil worden, verdicht, verdraai en verzin ik heel veel. (. . .) Vragen naar het autobiografische karakter van mijn werk, heb ik altijd geweigerd te beantwoorden, met minachting in mijn stem. Literatuur is toch geen Story op niveau! Wat doet de werkelijkheid er nou toe?”
'Nieuws van de nacht', Frankes laatste roman, stelt de lezer niet voor de vraag in hoeverre de ik-figuur samenvalt met de auteur, maar voor de vraag hoe het zit met de vermenging van fictie en werkelijkheid in de geest van de ik-figuur, Laurens, die in een psychische crisis belandt. Hij voelt zich bedreigd, wordt wantrouwig en trekt zich uit afweer meer en meer in zichzelf terug.
Laurens is niet dom en een kind van deze tijd, dus hij probeert zijn situatie te analyseren: wat is er aan de hand, waar komt die klep op zijn gevoel vandaan, waarvoor is hij bang, hoe is het begonnen, waar is de sleutel? Stukje bij beetje ontvouwt zich zijn verleden: zijn ouders zijn in zijn jeugd gescheiden, zijn moeder kwam op merkwaardige wijze om bij een brand waar hij ook iets mee te maken had. Het contact met zijn vader heeft hij verbroken nadat hij Vonne, zijn vrouw, had leren kennen. Nu zijn vader hem op alle mogelijke manieren probeert te bereiken, begint zijn afweersysteem behoorlijk af te brokkelen.
Als een echte journalist brengt Laurens verslag uit van zijn gedachten en bevindingen. Op de enigszins arrogante toon van iemand die weet waar hij het over heeft, suggereert hij telkens dat hij redelijk grip heeft op de situatie en doorheeft wat er aan de hand is.
Hij lijkt afstand te kunnen nemen van zijn wanen, van het idée fixe bijvoorbeeld dat Vonne met zijn vader samenspant, zelfs een verhouding met hem heeft.
Aan het eind van het boek - Laurens is dan inmiddels opgenomen in een psychiatrische kliniek - blijkt dat zijn contact met de werkelijkheid nog steeds is verstoord. Zo heeft hij al eerder laten doorschemeren dat de brieven niet door zijn vader maar door hemzelf zouden zijn geschreven, nu is de verdenking bij hem opgekomen dat Vonne de brieven schrijft.
En hoe zat dat nu precies met zijn moeder en hem? Heeft ze hem behalve geestelijk ook seksueel misbruikt? Vrouw, moeder, vader, hijzelf, wie is wiens medestander of tegenspeler? Gebruikt Laurens zijn verleden als alibi of als boosdoener, wil hij ervan af of blijft hij het koesteren? Hij draait er omheen als een kat om de hete brij; bewust of onbewust? Zet zijn gebrekkige maar flexibele geheugen hem in de kou of dient het hem tot schuilplaats?
Wat kan het toch een moeite kosten om fictie en werkelijkheid te scheiden; daarvoor hoeft een mens niet eens zo in het nauw gebracht te zijn als Laurens. Met de kronkels van de menselijke geest zal Herman Franke ongetwijfeld ook in zijn werk als criminoloog te maken hebben.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.