*

 

Toch sterft de vrouw op de tijd en de manier die zij zelf verkiestHans Lam heeft ook oog voor de achterblijvers

HANS VAN DER PLOEG − 30/01/98, 00:00

recensie Dat de huisarts Hans Lam voor de levensbeëindiging in andere culturen zijn toevlucht neemt tot beeldende beschrijvingen is al in het begin van zijn antropologisch getinte proefschrift duidelijk. Hij laat je als lezer in het hoofd kruipen van de zoon Tappei die tegen zijn zin zijn zeventigjarige moeder O Rin begleidt op haar laatste pelgrimstocht naar de berg Narayama, waar een godheid woont.

“Ik sla d' ogen naar 't gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht”, flitste door mijn hoofd. Achter de woorden van Psalm 121 (in de oude berijming) gaat een onwrikbaar Godsvertrouwen schuil. Niet minder onwrikbaar is de opstelling van de Japanse vrouw als zij geheel volgens traditie uit het leven wil stappen.

Lam ontleende dit eeuwenoude verhaal aan het boek 'Narayama-bushi-Ko' (1956) van de schrijver Fukazawa Schichiro. Het toneel is een voedselarm bergdorp in het district Nagano, waar de overlevering wil dat mensen na hun zeventigste verjaardag bij voorkeur door de oudste zoon naar boven worden gedragen, waar ze worden achtergelaten om naar de god van de berg te gaan, een eufemisme voor sterven.

De vrouw bereidt al ruim voordien haar reis naar de eeuwigheid voor, maar de woorden dood of sterven vermijdt ze. Voorzover mogelijk verzorgt zij voeding voor haar familie voor de komende winter en daarna geeft zij een afscheidsmaal.

Al even persisterend in haar doodswens is de 61-jarige vrouw die Lam als casus presenteert. Haar motief heet geen traditie of leeftijd maar kanker. Hoewel zij altijd een levenslustige vrouw is geweest, wil ze niet verder leven als blijkt dat ze een kwaadaardige ziekte heeft met zwerende en onwelriekende uitzaaiingen in de huid met uiteindelijk zelfs bloederige ontlasting. Alleen, haar man is er nog niet aan toe, vermoedelijk omdat hun relatie de laatste jaren nogal moeizaam was. De huisarts voelt zich door haar gedwongen en zelfs gemanipuleerd. Toch sterft zij op de tijd en de manier die zij zelf verkiest, niet door dodelijke injecties van de arts, maar door zelf een drank in te nemen. Dit is dus zelfbeschikking over de eigen dood zoals nu de norm lijkt te zijn geworden, ben je geneigd te denken.

De vergelijking tussen beide vrouwen verschaft het vraagstuk van de levensbeëindiging een extra dimensie die het medische en juridische perspectief verrijkt. Dat is het gezichtspunt van de anderen die bij het sterven betrokken zijn. Met het nodige verschil voelt Lam zich ongeveer zoals Tappei die tegen zijn wil zijn moeder gehoorzaamt. O Rin is voor Tappei nog steeds de centrale figuur die hij node kan missen. Toch zwicht hij voor haar wens. Zwijgend draagt hij zijn moeder de berg op. Hij laat haar biddend in de vallende sneeuw achter en keert terug.

Hij is niet anders dan dienaar van de berggod geweest, verklaart hij naderhand. Je kunt even goed beweren dat hij gewoonweg de wil van zijn moeder heeft volbracht, denk ik. Op zijn beurt doet Lam precies wat de vrouw van hem wil, al acht hij haar toestand nog niet echt terminaal. Tappei en Lam voelen weerstand tegen wat de 'hulpvrager' van hen verwacht. De arts heeft begrip voor de echtgenoot, maar bedenkt door uitstel in feite partij te kiezen in een jarenlang bestaand huwelijksconflict.

Dat niet iedereen van zeventig jaar de dood even vastberaden tegemoettreedt, bewijst de tegenfiguur Mata-yan in hetzelfde Japanse verhaal, een gierigaard met een slecht verleden. De man vindt een afscheidsmaal te kostbaar en is niet van plan om de pelgrimstocht naar de berggod te maken. Hij wordt tegen zijn zin geboeid de berg opgedragen door zijn oudste zoon en halverwege in een ravijn gegooid. Zwarte raven vliegen direct het ravijn in. Zij staan in schril contrast met de witte sneeuw waarin O Rin gelukkig achterblijft, bidt en sterft, schrijft Lam: “Zij sterft de door haar gewenste goede dood, in een groot kosmisch verband in tegenstelling tot Mata--yan die de traditie trotseert en een slechte dood sterft. Naast het geluk dat zij zelf verovert door haar pelgrimage, geeft ze als offer de achterblijvers meer te eten en daarmee betere levenskansen.”

Lams gevalsbeschrijvingen in diverse culturen zijn verfrissend. Doodgaan is op te vatten als een rite de passage waarin separatie of scheiding centraal staat, schrijft Lam. Door zijn bril kijken we naar de lotgevallen van de speermeester bij de Dinka in het zuiden van Soedan die levend begraven wordt en de Indiase praktijk van weduwenverbranding. Na de suïcide bij de samoerai in Japan en de dood op verzoek bij de Eskimo's belanden we ten slotte in de Nederlandse praktijk van euthanasie en hulp bij suïcide.

'Helpen bij sterven' is vanwege de zeer toegankelijke en heldere stijl behalve voor de specialist uitstekend voor een breed lezerspubliek. Het bijzondere van dit boek is bovendien dat Lam niet alleen oog heeft voor degene die doodgaat of dood wil, maar net zo goed voor de achterblijvers, onder wie de schrijver zelf. Eerder heeft de verpleeghuisarts Bert Keizer de alledaagse stervenspraktijk in een verpleeghuis vlijmscherp blootgelegd in 'Het refrein is Hein' (1994). Juridische, ethische en psychotherapeutische aspecten zijn diepzinnig beschreven door de psychiater B. E. Chabot in 'Sterven op drift. Over doodsverlangen en onmacht' (1996). Het onlangs verschenen boek van Lam is daarop een mooie aanvulling. De huisarts (èn de verpleegkundige in de thuiszorg) weet immers bij uitstek waar het in de praktijk om draait bij mensen die der dagen zat zijn.

mailIcon print |