recensie In haar pas verschenen boek '7 portretten van domina's' beschrijft publiciste/theologe Sieth Delhaas de levensloop van zeven vrouwen, geboren tussen 1910 en 1924. Alle zeven hebben theologie gestudeerd en zijn predikant geworden, in een tijd waarin dat beroep uitsluitend voor mannen leek weggelegd. Voor de een was de weg om dat ideaal te bereiken vele malen zwaarder dan voor de ander. Verschillen tussen kerkgenootschappen en plaatselijke omstandigheden in gemeenten speelden daarbij een rol.
Het is nu nauwelijks meer voor te stellen dat dertig jaar geleden in de hervormde en gereformeerde kerken vrouwen nog geen predikant 'in volle rechten' konden worden - dat wil zeggen inclusief de bevoegdheid de sacramenten te bedienen. Moest er een kind gedoopt of Avondmaal gevierd, dan was de vrouwelijke dominee gehouden een mannelijke collega te vragen om deze sacramentele handelingen te verrichten. Volledige rechten werden de hervormde domina's pas in 1968 toegekend, hun gereformeerde collega's nog een jaartje later. Volgens Lenie van Reijendam-Beek, die bij het boek het voorwoord schreef, zou zonder de geportretteerde pioniersters de dominee van 1997 een andere figuur zijn geweest: “Ze werkten binnen de grenzen van het mogelijke en hielpen de grenzen verleggen.”
Oase
Vergeleken met de hervormde en gereformeerde kerken was de vrijzinnigheid voor vrouwen een oase: in de doopsgezinde kerk werd in 1911 Annie Zernike in het ambt bevestigd, in 1918 ds. W. F. Rappold bij de remonstranten en in 1926 ds. L. C. Dufour bij de lutheranen. Hier bleek men in het ambt 'niets verhevens te zien' en toonde men zich 'verheugd met het vrouwelijke element onder de voorgangers'.
Toch heeft Delhaas ook de vrijzinnige hoek in haar portrettengalerij betrokken, vanwege de werking van de wet op de remmende voorsprong. Juist wanneer er over de positie van de vrouw niet meer hoeft te worden gesproken, omdat alles immers is 'geregeld', is, aldus Delhaas “de macht van de vanzelfsprekendheid ten aanzien van taalgebruik, mensbeelden, godsbeelden en de verdeling van werkzaamheden groot. Het gevolg is dat deze gelijkwaardigheid (tussen man en vrouw) in taal, theologie en beleid niet tot uitdrukking komt.”
Het meest schrijnende portret uit Delhaas' galerij is voor een belangrijk deel opgetekend in die vrijzinnige hoek. Joanne Ph. Feikema (*1910), wier kerkelijke carrière in de NPB (Nederlandse Protestanten Bond) 26 jaar geleden eindigde, wil nu nog niet dat de namen van haar oorspronkelijke kerk en de NPB-gemeente die ze diende, worden vermeld - om anderen met haar verhaal niet te schaden.
'Dat was toen gewoon. . .' heeft Delhaas het hoofdstuk over Feikema heel toepasselijk genoemd. Allereerst moest Joanne Feikema zich losworstelen uit een milieu waarin dames 'jours' hielden en alleen 'vrouw van, dochter van' of 'familie van' waren. Over de man/vrouwverhouding leerde haar moeder haar uitdrukkelijk dat de vrouw altijd moet geven en dat de man neemt.
Na de lagere school was het de bedoeling dat Joanne naar kostschool ging, maar daar was geen geld voor. De HBS was te 'ruw' voor meisjes, voor de mulo was ze te goed, dus ging ze naar het gymnasium. Daarna kozen haar ouders de rechtenstudie voor haar. Ook dat was heel gewoon, dat je ouders de studierichting voor je kozen. Maar dat recht vond ze vreselijk. “Daar leerde je bijvoorbeeld dat getrouwde vrouwen en krankzinnigen handelingsonbekwaam waren. Bovendien mochten vrouwen geen rechter worden.”
Na haar kandidaats stopte ze met de studie. Van 1933 tot 1938 deed ze, zonder betaling, de correspondentie van de Internationale school voor wijsbegeerte. Haar mannelijke opvolger kreeg wél een salaris. Daarna werkte ze een aantal jaren in de Economische historische bibliotheek, voor een hongerloontje - ze kreeg niet alleen minder betaald dan een man maar ook minder dan een getrouwde vrouw. Op ongetrouwde vrouwen werd in die tijd zeer neergekeken.
Toen Feikema vijfendertig was besloot ze theologie te gaan studeren. Daarvoor moest ze eerst het alpha-examen geschiedenis, Grieks en Latijn doen. Een naburige dominee gaf opbeurend commentaar: 'Dat kun jij niet meer op jouw leeftijd.'
Ook tijdens haar studie werd zij 'afgerekend' op haar leeftijd. Na haar alpha-examen, dat ze goed had gehaald, moest ze eerst vergelijkend examen doen voor het seminarie van haar kerk (waarvan ze de naam niet wil noemen). Er was zo vlak na de oorlog een grote behoefte aan predikanten. Mannen die al wat ouder waren konden met een beetje Latijn en Grieks eigenlijk direct dominee worden. In 1945 arriveerden er ook zeven meisjes. De meisjes moesten, anders dan de mannen dus, een vergelijkend examen doen. Vier werden er toegelaten tot het seminarie, Feikema niet. Bij de afwijzing was aangetekend: niet op grond van uw examen maar op grond van uw leeftijd. Een professor die zij om nadere argumentatie vroeg, zei: 'een vrouw op uw leeftijd studeert niet meer zo goed'. Jaren later is Feikema er achtergekomen dat zij met haar cijfers voor dat bewuste examen op alle punten ver boven de anderen uitstak.
Ze verkaste naar de Stedelijke Universiteit in Amsterdam waar net een theologische faculteit was gestart en voltooide daar haar studie. Een beroep in haar eigen kerk zou ze nooit krijgen - haar werd duidelijk gemaakt dat ze daarvoor inmiddels 'te oud' was - maar een preekbevoegdheid heeft zij met de doctoraalbul in haar zak, nog wel weten los te peuteren. Een 'noodbevoegdheid' heette dat. Daarmee heeft ze gesolliciteerd bij de Nederlandse Protestantenbond, die haar heeft aangenomen.
Maar ook de vrijzinnigen van de NPB, althans diegenen met wie Feikema te maken kreeg, wisten hoe ze een domina moesten discrimineren. Zo zei de toenmalige algemeen secretaris van de NPB bij zijn afscheid tegen haar: 'Je hebt het ver gebracht voor iemand die door het seminarie is afgewezen.' Het predikantschap bracht haar voldoening en vreugde, maar haar arbeidsvoorwaarden waren slecht. Ze was in haar gemeente aangenomen voor de halve tijd, maar kreeg een contract voor de volle tijd, terwijl het salaris was gehalveerd en volgens het contract ook niet verhoogd mocht worden.
Geheime inkomsten
Ook kreeg zij te horen dat er geen pensioenfonds voor haar was: 'Je kunt niet terecht bij het pensioenfonds van je eigen kerk en je kunt nergens terecht.' Later bleek dat er wél een pensioenfonds was, maar toen was het te laat voor Feikema. Van haar salaris van 4 000 gulden per jaar (1959) moest ze een lijfrente afsluiten, waarvan ze later maar 1 000 gulden per jaar zou krijgen.
Ook trof ze het niet met het bestuur van haar eigen gemeente. Het landelijke hoofdbestuur gaf aanwijzingen om de salarissen van de predikanten te verhogen, maar haar gemeente legde die naast zich neer. Feikema kreeg een keer een oproep van de belastinginspectie omdat die zich afvroeg of ze haar verdiensten wel behoorlijk opgaf. “Of ik geen geheime inkomsten had, 'want hier kan een mens niet van leven'.” Protesten bij de penningmeester van het hoofdbestuur mochten niet baten, want de bestuursvoorzitter van haar gemeente, die inmiddels ook in het landelijke bestuur zat, was toch 'zo'n bijzonder mens'.
Tot overmaat van ramp kreeg zij ook nog eens haar ontslag aangezegd op haar zestigste jaar, zonder overbruggingsuitkering tot haar vijfenzestigste en zonder pensioen. De reden: ze zou in de gemeente hebben geklaagd over haar lage salaris. Dat was niet waar. Een paar gemeenteleden hadden een methode gevonden haar salaris uit te rekenen en waren uit eigen beweging gaan protesteren bij het bestuur, dat op zijn beurt maar één conclusie wist te trekken: Feikema heeft geklaagd. Dankzij de hulp van een collega, die tevens jurist was, ging deze bestuurs-vlieger niet op, maar de spanningen waren Feikema uiteindelijk te veel geworden. Haar gezondheid liet haar in de steek en ze besloot zelf ontslag te nemen. Als voorwaarde stelde ze een uitkering ter hoogte van de AOW-premies plus 1 000 gulden per jaar.
Op haar tweeënzestigste zocht ze nog eens contact met het hoofdbestuur van de NPB met het verzoek haar voor de laatste drie jaar nog te introduceren in het pensioenfonds. Ze moest een lijst maken van het salaris dat ze had verdiend in de twaalf jaar dat ze predikante was geweest. Eindelijk kwamen de cijfers boven tafel. Volgens Feikema zijn ze zich kapot geschrokken. Een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur is met een grote bos bloemen naar haar toegekomen om haar te vertellen dat ze tot haar vijfenzestigste een uitkering zou krijgen van 1800 gulden per jaar. Die jaarlijkse uitkering heeft ze toen onmiddellijk in het pensioenfonds gestort.
En toch, vindt zij zelf, is de prijs niet te hoog geweest voor zegge en schrijve twaalf jaar predikantschap. “Dat is het zeker waard geweest. Het geld was dramatisch, maar ik heb veel mensen kunnen helpen.”
Delhaas' boek bevat ook vrolijker portretten. Dat van Ietske Jansen (*1922) bijvoorbeeld, die in het vrijzinnige Noord-Holland, dat kerkelijk gezien 'gedaante noch heerlijkheid' had en waarvoor mannen hun neus optrokken, met veel arbeidsvreugde hervormd predikante is geweest. En dat van dr. Joanne Klink (*1918), die na een periode als remonstrants predikante is gaan schrijven, eerst de beroemde 'kinderbijbel van Klink', daarna over kinderen en geloven en weer later over de uitdagingen waarvoor 'de nieuwe ontdekkingen in mens en kosmos' geloof en godsdienst stellen.
Ook Bé Ruys (*1917), Tineke den Herder-Brugman (*1913), Margaretha Siregar-Emck (*1924) en Nora van Egmond (*1922), die als eerste vrouw binnen de gereformeerde kerken is beroepen in het ambt van predikant, sieren de portrettengalerij van Sieth Delhaas.
Haar stijl is niet altijd vloeiend, maar met dit boek heeft Delhaas een bijzonder stukje kerkgeschiedenis aan de vergetelheid ontrukt, met de vrouw in de hoofdrol.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.