opinie ARNHEM - Het echtpaar zit naast elkaar, maar de blikken waarmee zij voor zich uitstaren tonen een oceaanbrede afstand. De dochter probeert zich, pingelend op de piano, aan de vreugdeloze sfeer te onttrekken. Die wat onbeholpen poging wordt kil terechtgewezen als de man zijn vrouw vraagt of zíj niet wat wil spelen. Van de hatelijke dialoog die dan volgt vormt de dochter met haar lippen tal van woorden mee. Zij kent hun verstokte clichés.
Het lijkt betrekkelijk onschuldig nog, dat gedrag, maar allengs moet je je realiseren dat dochter Judith aardig wat van de hardheid van haar ouders heeft overgenomen. Mark Timmer, die 'Dodendans 1 & 2' bij Theater van het Oosten regisseert, toont dat proces niet, maar laat het publiek langzaam maar zeker tot dit besef komen. Met Ger Thijs, die zich ruim twintig jaar geleden al aan een eerste bewerking waagde, heeft Timmer de twee gelijknamige stukken van August Strindberg (1849-1912) in elkaar geschoven tot één geheel. Nog meer dan Thijs destijds heeft hij de maatschappelijke context gelaten voor wat-ie is en zich geconcentreerd op de familierelatie.
Zolang iemand zich kan heugen is het huwelijk van Edgar en Alice verworden tot een strijd op leven en dood. Beiden zijn gefrustreerd in liefde en ambities, beiden zoeken de schuld daarvan uitsluitend bij de ander en de buitenwereld. Zo hebben zij ieder van zich vervreemd en gunnen ze elkaar het licht in de ogen niet. Verbittering is de status-quo, hun hel. De buitenstaander die Strindberg laat opdraven is dan ook niet een laatste hoop op verlossing, maar een speelbal van hun intriges - wat het destructieve van hun wederzijdse venijn zichtbaar maakt. Terwijl Alice neef Kurt met insinuaties in haar kamp poogt te krijgen, zet Edgar alles op alles om hem net als Alice' andere familieleden kapot te maken. Alleen bij aankomst laat de regisseur Kurt tussen het echtpaar in zitten. Maar al spoedig gaat het trio over in telkens wisselende twee-tegen-één-tjes. Decorontwerper André Joosten heeft die disharmonie fijntjes ingebouwd: een van de drie stoelen heeft een iets afwijkende leuning. De twee synonieme komen niet meer naast elkaar te staan. Het licht op het achterdoek, een zonsop-/ondergang boven een blauwzwarte zee, verliest steeds meer aan warmte.
Dochter Judith, die in het oorspronkelijke werk pas in het tweede deel verschijnt, volgt het smadelijke gebeuren op gepaste afstand. Niet als een geschokte puber, maar met de lege ogen van iemand die uitwassen gewoon is. De manier waarop zij het later met Kurts binnengehaalde zoon aanlegt verraadt hoezeer zij door de giftige atmosfeer besmet is. Dat de ouders elkaar dood treiteren is tragisch. Dat het kind van lieverlee tot eenzelfde liefdeloosheid veroordeeld is, is confronterend.
Mark Timmer heeft 'Dodendans 1 & 2' met veel gevoel voor detail geënsceneerd. Het beheerste spel geeft aan hoe de personages er alles aan gelegen is niet de greep op het verloop van de handeling te verliezen. De korte woedeuitvallen van Hugo Koolschijn geven net voldoende het opvliegende karakter van Edgar aan om niet uit de toon te vallen. Met kleine accenten kan Margreet Blanken de bitsheid van Alice juist weer een onverwacht relativerende wending geven. Als Edgar vraagt: “Plezier, wat is dat?”, doet het minieme zuchtje voor haar “dat moet je mij niet vragen” je automatisch in de lach schieten. De springerige bewegingen van Annemarie houden aanvankelijk nog heel even de illusie van een uitzondering overeind tot de leegheid van haar blik de overhand krijgt. Hiertegenover moet de welwillende vriendelijkheid van Theo de Groot en Michiel de Jong als Kurt en diens zoon Allan het wel afleggen. Drie wolven is te veel voor twee schapen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.