*

 

De rede is een teder vlies, er onder ligt het onverklaarbare

T. VAN DEEL − 31/01/97, 00:00

recensie Hans Anten: Het bekoorlijk vernis van de rede. Over poëtica en proza van F. Bordewijk. Historische Uitgeverij, Groningen; 268 blz. - ¿ 65.

Indirect zijn deze kronieken te lezen als een verdediging van zijn eigen proza en literatuuropvattingen. Dat is de mening van Hans Anten, die in een mooie, heldere studie nieuw licht werpt op Bordewijks werk en literair-kritische instelling.

De eerste kroniek van het jaar 1950 is getiteld 'Kritische opmerkingen over kritiek'. Daarin beklaagt Bordewijk zich over het verval der kritische zeden, want het komt al te dikwijls voor dat de ene criticus een boek de hemel in prijst, terwijl de andere het totaal verwerpt. Zou de kritiek, zo is zijn gedachtegang, bedreven worden door critici die tegen hun taak zijn opgewassen, dan zouden dergelijke grote verschillen in beoordeling niet voorkomen: “Bevindt zich de kritiek in goede handen, dan kan het niet voorkomen dat eenzelfde werk op de kunstschaal gewogen door de één te licht bevonden wordt, door de ander van het juiste gewicht. Ook al zullen er verschillen in taxatie blijven bestaan, het eenvoudig zwart naast wit vervalt.”

Het is waarschijnlijk dat Bordewijk zich deze nieuwjaarsmeditatie liet ontvallen mede op grond van zijn eigen ervaringen, als schrijver, met de literaire kritiek. Dat de oordelen zo sterk uiteen konden lopen, moet hem, ook als jurist, verontrust hebben, want dat pleitte in zijn ogen niet voor de kwaliteit van de literair-kritische rechterlijke macht: de critici. “Zeer terecht gaan er de laatste tijd stemmen op de kritiek aan banden te leggen van bekwaamheid, voorzichtigheid en onpartijdigheid. Hoe men dat wil verwezenlijken, door een examen of op andere wijze, laat ik onbesproken.”

Anten toont aan dat de criticus Bordewijk zich als een rechter voelde, gebonden aan de ambtseed die voorschrijft dat hij te werk moet gaan “met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen”. Anderzijds treedt Bordewijk in zijn letterkundige kroniek ook op als advocaat, als pleitbezorger namelijk van een soort literatuur en van opvattingen die dicht bij de zijne liggen.

Rechter en advocaat - die ook nog eens een oratio pro domo houdt - zijn natuurlijk niet goed met elkaar te verenigen en het is eigenlijk merkwaardig dat Bordewijk zo weinig scherp heeft ingezien dat alle oordelen op het gebied van de literatuur uitgaan van literatuuropvattingen. En aangezien die kunnen verschillen, lopen ook de oordelen dikwijls uiteen. De literaire kritiek in zijn totaliteit is geen rechtbank.

Bordewijk verlangde van de criticus onpartijdigheid en daarmee wees hij elke vorm van vooringenomenheid ten aanzien van de schrijver of zijn werk van de hand. Vooral de kritiek die zich niet op het werk, maar op de persoon van de schrijver richt, keurde hij ten stelligste af. Het ging hem om het werk, om de structuur, de stijl, de complexiteit en het is opvallend hoe lang hij bleef stilstaan bij de technische, esthetische kanten van het boek in kwestie.

Voorzichtigheid bij de beoordeling zorgde voor een grote mate van welwillendheid en voor een goed ontwikkeld gevoel voor het eigene van een werk. Veel debutanten uit die tijd en jonge, controversiële schrijvers als Hermans, Blaman, Reve, Claus werden mild en met begrip door Bordewijk gerecenseerd. Hij besprak niet wat hij beneden elke maat vond, dus zijn kronieken beogen geen doorsnee te geven van de waarde van de Nederlandse literatuur uit die tijd: “Het algemene niveau ligt helaas lager dan het uit mijn beschouwingen af te leiden gemiddelde.”

Over de bekwaamheid van de criticus Bordewijk valt alleen vanuit een bepaald standpunt iets te zeggen. Wie, zoals hij, literatuur allereerst op literaire gronden beoordeeld wil zien, zal zijn gekwalificeerdheid erkennen. De moralist, die hij soms ook was en die wel degelijk bezwaren inbracht tegen het illusieloze mensbeeld in de romans van Hermans en anderen, kreeg niet de overhand wanneer het literaire oordeel eenmaal positief was uitgevallen.

Het surrealisme loopt als een rode draad door deze recensies heen. Bordewijk verstond er een literatuur onder die zich afzet tegen het realisme en het naturalisme, in het algemeen tegen elke vorm van nabootsing van de werkelijkheid. Hij meende dat literatuur juist een toevoeging aan de werkelijkheid inhoudt en dat een geslaagd surrealisme de lezer doet geloven “in een wereld die wij met onze rede verwerpen als onbestaanbaar”.

Kafka was voor hem de surrealist bij uitstek. De steeds in zijn kritieken voorkomende woorden 'fantasie', 'verbeeldingskracht', 'raadsel' en 'vraagteken' geven al aan waar het hem in de literatuur om ging. Dit surrealistische aspect noemde hij ook wel occulte fantastiek of magisch-realisme en hij zag in die naoorlogse jaren gelukkig een grotere ontvankelijkheid daarvoor. Zelf beschouwde hij zich natuurlijk, zonder daar ook maar ooit in zijn kroniek over te reppen, als een vroege representant van deze richting. Was hij immers al niet in de jaren twintig begonnen met 'Fantastische vertellingen'?

Anten bespreekt, met als achtergrond Bordewijks literatuuropvattingen zoals die uit zijn kritische werk blijken, drie sterk onderbelicht gebleven werken uit zijn oeuvre: het expressionistische verhaal 'Knorrende beesten' (1933), de surrealistische verhalenbundel 'Studiën in volksstructuur' (1951) en de roman 'De doopvont' (1952). De bespreking van deze werken is zodanig dat die het onweerstaanbare verlangen wekt ze ogenblikkelijk te gaan (her)lezen. Vooral het lange verhaal 'De eenheid in de tegendelen', dat ik evenals de intrigerende bundel 'Studiën in volksstructuur' waar het in staat, nooit gelezen had, bleek schitterend.

Net als de door hem bewonderde Vestdijk heeft Bordewijk eindeloos vaak het bezwaar van cerebraliteit te horen gekregen. Inderdaad beschouwde hij het literaire kunstwerk als “een product van gevoelsweergave onder verstandelijke leiding”. Maar de rede bij hem bedekt iets, of liever nog laat doorklinken de diepte, de onpeilbare diepte van het gemoed en van de menselijke natuur. Of zoals in 'Het eiberschild' wordt gezegd, waar Anten de titel van zijn studie aan heeft ontleend: “De rede, schoonst geheten zege van de mens op zichzelf, is een vernis, bekoorlijk, blinkend, toegegeven, maar niet meer dan een teder vlies. (. . .) Wat daaronder ligt, tot op ontzaglijke diepten, kan enigermate beschreven worden, meer nog vermoed, gelijk de aardkern zelf, maar nooit verklaard.”

Voor wie er zo over denkt is het cerebrale veeleer de bezwering van het onverklaarbare.

mailIcon print |