*

 

Schubert verzoent ons met de dood

MIENKE KNIPSCHEER − 31/01/97, 00:00

recensie Georg Braungart en Walther Dürr: Über Musikern, Dichtern und Liebhabern - Eine Anthologie. Philipp Reclam, Stuttgart; 310 blz. - ¿ 20,85. Arnold Feil: Franz Schubert - Die schöne Müllerin - Winterreise. Philipp Reclam; Stuttgart; 197 blz. - ¿ 41,70.

Met het begin van het Minuetto uit het Rosamundekwartet bij voorbeeld; of met de openingsmaten van het lied 'Ungeduld'; of met de beginmaten van de Fantasie voor vier handen. Dan weer wringt hij je hart uit: hoor hoe in de langzame delen van het strijkkwintet en de pianosonate in A plotseling op een ongehoorde wijze de hel losbreekt.

Al zovele 'Kenner en Liebhaber' hebben geprobeerd om via omtrekkende bewegingen het geheim van Schuberts muziek te ontraadselen: hoe komt het dat hij ons zo tot tranen toe roert en ons het gevoel geeft dat vreugde en verdriet twee kanten van dezelfde munt zijn? Maar helemaal lukken doet dat nooit. En het lukt ook niet echt in 'Über Schubert' - Eine Anthologie -, samengesteld door Georg Braungart en Walther Dürr waarvoor de twee heren bijdragen uit alle mogelijke sferen verzamelden.

In de eerste plaats zijn dat de herinneringen van zijn vrienden - voor het merendeel kunstenaars en academici. De schrijver Mayrhofer, met wie Schubert een paar jaar in hetzelfde huis woonde en aan wie hij zijn gedegen kennis van de vroeg-romantische literatuur te danken had, beschrijft hem als een vat vol tegenstrijdigheden: zacht en stevig, bescheiden maar bewust van zijn waarde, melancholiek maar tegelijk in voor de goede dingen des levens. Daarbij geloofde hij in de onsterfelijkheid van de ziel.

Een 'dubbelnatuur' was hij, volgens de blijspelschrijver Von Bauernfeld, een mens die leefde met Weense lichtheid maar op gezette tijden bezocht werd door de demon der melancholie. Wat al die vrienden in verrukking bracht was het ongelooflijke gemak waarmee Schubert, die iedere ochtend een uur of vijf componeerde, zijn scheppingen tot stand bracht - soms wel vijf, zes of acht liederen op een dag die hij 's avonds dan weer voorzong.

Na de vrienden komen andere mensen aan het woord. In de eerste plaats negentiende-eeuwers die veel gedaan hebben voor de verbreiding van Schuberts muziek zoals Schumann en Liszt, die een groot aantal van Schuberts liederen voor piano bewerkte. Boeiend is ook een recensie van de vermaarde (en gevreesde) Weense criticus Hanslick naar aanleiding van een integrale uitvoering van de liederencyclus 'Die schöne Müllerin' door de zanger Julius Stockhausen. Aan het begin van de bespreking - we schrijven 1856 - meldt Hanslick dat op het moment in Wenen geen componist zo geliefd is als Schubert.

De situatie was in de dertig jaar na Schuberts dood blijkbaar wel veranderd. Want tijdens zijn leven was de componist, die zijn baan als onderwijzer verruild had voor het vrije kunstenaarschap, niet zo bekend. Zo nu en dan werden enkele van zijn liederen uitgegeven (waarvoor de componist niet meer dan een fooi ontving), een paar dansen, een enkele pianosonate. Pas aan het eind van zijn leven - Schubert stierf op 11 november 1828 aan de gevolgen van syfilis - begonnen zijn liederen (hij schreef er meer dan zeshonderd) aftrek te vinden. Verder leefde hij van giften van vrienden en bewonderaars.

Tot die laatste groep behoorden de leden van de familie Sonnleither die thuis een muzieksalon dreven en de zanger Johann Michael Vogl. Zij droegen bij tot de verspreiding van Schuberts werk en trachtten de componist van connecties te voorzien - hetgeen maar op beperkte schaal lukte. Het merendeel van Schuberts werk werd uitgevoerd in kleine kring tijdens de zogenaamde 'Schubertiaden'.

In een beschouwing van Emil Staiger over de liederencyclus 'Winterreise' (ook opgenomen in de bundel) wijst deze op het feit dat in de jaren 1820-1840 de mensen het leven niet meer als zinvol en van liefde vervuld zagen en hun geloof in vooruitgang van de geschiedenis verloren. Uit dat gedachtengoed - versterkt door de malaise die het repressieve bewind van staatskanselier Metternich te weeg bracht - werd de figuur van de eenzame zwerver geboren die tijdens zijn winterse reis vierentwintig liederen lang op weg is naar de dood.

Aan die 'Winterreise' en de liederencyclus 'Die schöne Müllerin" (beide op teksten van Wilhelm Müller) wijdde de musicoloog Arnold Feil een uit 1975 stammend standaardwerk, dat nu opnieuw is uitgegeven. Via diepgaande besprekingen van de afzonderlijke liederen toont hij aan hoe daaruit de cycli ontstaan. Daarbij richt Feil zich vooral op het ritme en tempo waarbij hij laat zien hoe deze met elkaar samenhangen en bepalend zijn voor de teneur van de werken. De hoofdfiguren van de twee cycli maken beide een reis naar de dood. Maar bij 'Die schöne Müllerin" is er sprake van een voortgaande beweging - aangescherpt door de muzikale uitbeelding van de beek en molenwieken - want er wordt een verhaal verteld. Bij de 'Winterreise' is er geen sprake van een handeling: de 'wanderer' stapt voort in de steeds troostelozer wordende landschappen van zijn eigen ziel.

Feil schrijft in de inleiding van zijn indringende en scherpzinnige boek dat hij hoopt dat het ook geschikt is voor de gewone muziekliefhebbers - maar die moeten wel goed onderlegd zijn, want Feil vooronderstelt een niet geringe muziektheoretische kennis. Zijn boek wordt besloten met een essay over Wilhelm Müller en de Romantiek.

De Anthologie is voor de 'gewone' liefhebber lezenswaardiger. Deze bevat naast literatuurfragmenten - zoals de episode uit Thomas Manns "Der Zauberberg" waarin Hans Castorp luistert naar een uitvoering van het lied 'Der Lindenbaum' - ook essays. Het meest behartenswaardige stuk is van Adorno. In zijn wel erg moeilijke maar mooie opstel, dat stamt uit het jubileumjaar 1928 en opgenomen werd in zijn 'Moments Musicaux' (1964), komt Adorno van alle schrijvers het dichts in de buurt van Schuberts geheim. Hij probeert Schuberts wijze van componeren in verband te brengen met het effect dat diens composities op de luisteraar hebben. Schuberts landschap is, volgens Adorno, het landschap van de dood, want zijn thema's kennen geen echte geschiedenis maar doemen op in een voortdurend veranderende omgeving: ze worden omspeeld of stromen binnen een bedding van steeds nieuwe modulaties.

Zo verkeren Schubert thema's in een wereld van licht en schaduw en de voortdurende overstap van majeur naar mineur geven de luisteraar het gevoel dat verdriet (mineur) en troost (majeur) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wij huilen, zegt Adorno, zonder te weten waarom. Niet om onszelf, maar omdat Schuberts muziek een verzoening in zich draagt die wij nog niet bereikt hebben.

mailIcon print |