recensie De literatuurgeleerde S. Dresden zal wel vooral bekend blijven vanwege zijn studie 'Vervolging, vernietiging, literatuur'. Daarin behandelt hij op een even genuanceerde als geleerde manier een erg hachelijk onderwerp uit de naoorlogse literatuur: hoe moet je als lezer omgaan met al die vormen van feitelijke getuigenissen van de holocaust, met romans die dat thema tot onderwerp hebben. Bestaat er misschien ook een soort holocaust-retoriek? En de uiteindelijke vraag: excuseert het gevoelige en gruwelijke onderwerp een eventueel tekort aan literariteit?
Ook ik was indertijd onder de indruk van Dresdens 'literaire' benadering van een zo beladen materie. Hij bracht als het ware allerlei ethisch ongemak bij het lezen van zulke getuigenverklaringen en aanverwante teksten in kaart en nam er vervolgens ook een helder standpunt over in: ook binnen de literatuur over de holocaust is het mogelijk en zelfs noodzakelijk om iets van literaire kwaliteitsnormen te hanteren. Geen wonder dat het boek inmiddels aan de derde druk toe is, voor een studieus werk als dit toch geen erg gebruikelijk verschijnsel.
Tegelijkertijd met die derde druk verscheen ook een bundeling van andere essays onder de titel 'Het vreemde vermaak dat lezen heet'. Veertien kortere stukken die Dresden in de loop van vijfendertig jaar schreef. Hij stelt zich in bijna al zijn essays en studies op als een lezer, een zeer kritische lezer weliswaar, maar toch een voor wie de raadselachtige aantrekkingskracht van het lezen van literatuur centraal staat. Naast essays over specifieke auteurs en literaire richtingen, met name Proust, Montaigne, Primo Levi, de 'nouveau roman', schrijft hij ook in algemene zin over de lezerservaring.
Het titelessay vormt in zekere zin een toelichting op 'Vervolging, vernietiging, literatuur'. Het behandelt namelijk de verwachting van de lezer dat hij iets van het lezen van letterkundige werken zal opsteken, aan de hand van de joodse literatuur over de oorlog. Geldt het aristoteliaanse idee van de 'catharsis', dat je als lezer gelouterd wordt na het lezen, ook voor zulke oorlogsliteratuur? Kan ook die je wegvoeren uit de realiteit, of zelfs gelezen worden als een avonturenroman? In hoeverre selecteert (dus vervalst) ook de auteur van deze werken de werkelijkheid?
Dresden benadert het riskante onderwerp buitengewoon omzichtig maar zijn conclusie is voor de goede verstaander toch duidelijk: “De lezer is niet helemaal een vreemde ten aanzien van wat hij leest, hij vereenzelvigt zich ermee zo goed als hij kan, maar blijft het ook aanzien en behoudt afstand. Hij kan niet anders, hij wil ook niet anders, zodat in en na de lectuur een zekere vorm van gelatenheid hem niet vreemd is. Maar in het geval van oorlogsliteratuur zal het ongetwijfeld een gelatenheid zijn die het er niet bij laat.”
Ook in de andere hier opgenomen beschouwingen houdt Dresden zich voortdurend bezig met het psychologische effect van het lezen op de lezer, de wijze waarop deze de frictie tussen werkelijkheid en de literatuur ervaart. Zo lijkt hij in het essay 'Bezig zijn met lezen' op te komen voor de 'interpreterende' lezer. Hij stelt vast dat sommige schrijvers, als ze het over hun eigen werk hebben, het vaak tekortdoen en stelt vast dat binnen bepaalde grenzen de lezer de eigenlijke uitvoerder van literatuur is.
En over het vrijetijdskarakter van het lezen schrijft hij: “Er heerst in het lezerzijn wellicht een vorm van afstandelijkheid, van ambiguïteit en meerzinnigheid die weinig of geen houvast schijnt te bieden en het moeilijk, ja onmogelijk maakt aan leeservaringen een uitdrukking te verlenen die men eens en voor altijd hééft.
Het lezerzijn houdt per definitie in dat men tijdelijk heeft en tijdelijk is, dat elke geboden zekerheid teniet kan en zal worden gedaan door een volgende. Het is een vreemde bezigheid, die tegelijkertijd met volledige aandacht en inzet maar ook met een zekere bijna ironische luchthartigheid moet worden bedreven.'
Een dergelijke filosofische benadering tref je ook aan in zijn stukken over het 'vreemde' en het 'experiment' in de literatuur, en verder in 'De biografie als valstrik' waarin hij een aantal bezwaren uiteenzet tegen het biografische genre, die erop neerkomen dat een biograaf enerzijds het leven van zijn onderwerp zo waarachtig mogelijk lijkt te willen schetsen, terwijl hij toch niet loskomt van het interpreteren van diens leven en van de behoefte er een zingeving in te leggen (er verschijnen immers geen doelloze biografieën van modale burgers).
Dresdens standpunt is voortdurend wijsgerig. Voor de fysieke kant van het lezen heeft hij weinig aandacht. Hij zegt het zelfs ergens: “De fysieke handeling die lezen óók is heeft zo weinig te betekenen dat men haar kan verwaarlozen, de uniforme typografie zo doorzichtig en normaal dat ook deze van geen belang schijnt.”
Daar zet ik mijn vraagtekens bij. Het is nog maar de vraag in hoeverre het lezen voornamelijk met fascinatie voor de stof te maken heeft en nauwelijks beïnvloed wordt door schijnbaar triviale zaken als bladspiegel, lettergrootte, lengte van hoofdstukken etc. Hoeveel lezers bladeren bijvoorbeeld niet vooruit om te zien hoeveel pagina's ze nog te gaan hebben en wie zegt dat zulke handelingen hun lectuur niet indringend beïnvloeden? Het is een onderwerp dat in de literatuurbeschouwing nauwelijks ter sprake komt en Dresdens benadering is karakteristiek voor de algemene onderwaardering van dit verschijnsel.
Daarentegen komen de psychologische en morele kanten van de leeservaring bij hem heel scherp aan de orde, misschien nog wel het meest in de twee stukken gewijd aan de 'oorlogs'-schrijvers Primo Levi en Abel Herzberg. Je voelt hoe moeilijk hij het vindt om kritiek te leveren op hun beider grote en nobele schrijverschap, maar toch:
“Met het heersen van onwrikbare zekerheid en fraaie individuele kracht moet het bij belangrijke elementen en onbenullige gebaren van joodse waardigheid in oorlogsjaren aan reliëf ontbreken. Wordt door het grote schrijverschap van beide auteurs - zo luidt mijn aarzelende vraag - en hun terecht algemeen bewonderde afstandelijkheid de tragiek van alles wat zij vermelden niet enigermate uit het oog verloren?”
Hoe voorzichtig ook geformuleerd, het gaat hier om zeer wezenlijke kritiek, die zoals altijd bij Dresden, de vraag naar de werking van literatuur op het scherp van de snede stelt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.