*

 

Wederwicht ontwaak!

PETER HENK STEENHUIS − 09/05/98, 00:00

recensie

Tot het laatste gedicht van mijn vorige bundel, Anthropos, heb ik het geloof als onderwerp vermeden. Ik ben intellectueel en in de kringen waarin ik verkeer, is geloven not done. In je priveleven is het toegestaan, daar hoor je het bij te laten. Ik was misschien ook bang dat men zou zeggen: 'Och hemel, die Haft wil religieuze poezie schrijven.' Maar nadat ik in het gedicht Leiding geschreven had: 'er is een weter, maar hij draagt mijn naam', wist ik dat het bezopen was niet over materie te schrijven die me intens bezighoudt. Toen besloot ik een aantal psalmen te gaan herdichten.'

Niet bekend

“Nee, ik was dan ook benieuwd of ze deze teksten wilden publiceren. Ze hebben het uitgegeven onder de naam: psalmbewerkingen. Toch staat op de achterflap dat het Hafts eigen poâzie is. En dat lijkt me niet onjuist, het is een radicale bewerking. Het kan ook geen vertaling zijn: ik lees geen Hebreeuws. De bewerkingen zijn een verwoording van wat die teksten bij mij opriepen, aanriepen, wakker riepen.

Formeel ben ik anglicaan maar ik ben protestants opgevoed en heb jaren meegedraaid met een Russisch kerkkoor in Den Haag. In dat verband heb ik het liturgische gebruik van de psalmen leren kennen. Hoewel de bijbel in zijn geheel diepe lagen in mij aanspreekt, raken de psalmen mij in het bijzonder, door de beeldspraak, de bewogenheid die je erin hoort, door de compacte wijze waarop de gedachten worden uitgedrukt. Uit de psalmen spreekt een gelovige zoeker, die eerbiedigt, voelt dat er iets is, maar daarvoor nooit een bewijs vindt, en daarom ook klaagt en smeekt om de verschijning van God. Dat vind ik een moderne gelovige.'

Toen pakte u de Statenvertaling en begon bij psalm 1?

“Ik heb niet alleen de Statenvertaling gebruikt. Ook de Nederlandse Canisiusvertaling, de Duitse vertaling van Buber, de Vulgaat, de oud-Kerkslavische vertaling en natuurlijk de Engelse tegenhanger van de Statenvertaling, de King James Bible, die in mijn jeugd in Amerika werd gelezen. Ook aan het oude anglicaanse, liturgische Book of Common Prayer heb ik veel gehad, de toon daarvan is kras, dat vind ik mooi.

Aanvankelijk ben ik systematisch bijbelse begrippen gaan verzamelen, die voor mij een andere poâtische betekenis zouden kunnen hebben. Toen ben ik met psalm 23 begonnen. Van de beginregels van die psalm - 'De Heere is mijn herder/ mij zal niets ontbreken' - heb ik gemaakt: 'Mij weet de ziende, kent mijn gebreken.' In veel van mijn bewerkingen treedt God op als 'de ziende'. Daar liggen verscheidene associaties aan ten grondslag. Hoewel ik dus geen Hebreeuws lees, wist ik dat in het Hebreeuws eenzelfde woord oog en bron betekent. Als je God kunt zien als de bron, de scheppende instantie waaruit alles is voortgekomen, dan mag je zeggen dat de instantie die de bron is ook de instantie is die ziet. Vandaar het woord 'ziende'.

Een andere associatie die ten grondslag ligt aan veel van mijn bewerkingen betreft het woord 'logos', dat aan het begin van het Johannesevangelie staat. Door uren en uren in etymologische woordenboeken te lezen, ben ik erachter gekomen dat 'logos', wat 'woord' betekent, ook samenhangt met het woord 'lezen', in de zin van vergaren, verzamelen, naar zich toe halen. De instantie die uitspreekt - en door het woord de wereld schept, zoals in Johannes 1 geschreven staat - is ook de instantie die naar zich toehaalt, die ons vergadert.

Nadat ik op deze gedachtegang was gekomen, ontdekte ik dat veel van onze Indogermaanse woorden voor 'weten', 'zien' en 'wet' etymologisch verwant zijn. Dat gaf mij de mogelijkheid om overal waar in deze psalmen het woord 'wet' gebruikt wordt een sprong te maken naar iets wat met zien van doen heeft. Ik interpreteer Gods wet dan ook niet als een verzameling van geboden die voor eens en voor altijd vastgelegd zijn, maar als de totaliteit van wat hij ziet. Uw wet is uw ziening - hoewel dat geen Nederlands is. Zo kun je de passage 'ik onderhoud uw wet', opvatten als: ik dien als substraat van uw zien; door mijn leven, door mijn ervaring schep ik voor u een context waarin gezien wordt. Dit is een rode draad die door deze psalmbewerkingen loopt.'

Zowel in uw bewerkingen als in de uitleg die u nu geeft, lijkt u heen en weer te kaatsen tussen de 'God', de 'u' of 'de ziener', en de 'ik'. “Dat doe ik met opzet. De mens is geschapen naar het beeld Gods. In het Engels staat er: in the image of God, dan heb je de mogelijkheid te zeggen 'in datgene wat God ziet'.

Er is een traditioneel avondgebed, magnificat, waarover ik veel heb nagedacht. In de Statenvertaling luidt een van de regels: 'Mijne ziel maakt groot den Heere'. Dat grootmaken moet opgevat worden als 'looft', en geeft een lofprijzing aan. Maar er staat toch: maakt hem groot. In het Engels heb je dat ook: my soul doth magnify the Lord. Magnify, groter maken. Doordat ik bewust aandacht heb voor God wordt God nog meer dan hij al was.

Ik wil de menselijke ervaringen niet gelijkstellen met de goddelijke, ik wil niet zeggen dat God een andere naam voor mijzelf is. Maar er is een nauwe verwantschap, een wisselwerking. Laat ik iets voorlezen: 'Wie is in staat naar waarde te verstaan hoe de Heer onophoudelijk zijn eeuwig en onverwoestbaar beeld in ons beschouwt en gadeslaat? Wie kan verstaan hoe hij zichzelf in ons ziet en kent? (...) Want hij geniet zichzelf in ons, en wij genieten hem in hemzelf en in ons.' Dit is een tekst van de mysticus Gerlach Peters, die ongeveer uitdrukt wat ik probeer te zeggen.'

De titel die u heeft gekozen stamt uit een bewerking van psalm 17: 'Ken u in mijn klacht'. De klacht, is dat de essentie van uw interpretatie van de psalmen?

“De klacht is het menselijk tekort, het is een van de elementen in de psalmen. Op zoek naar te bewerken materiaal heb ik ze in categorieân verdeeld: de algemene lofprijzing, de verbijstering of verwondering in het aangezicht van de wijsheid, de twist met God, en de verzuchting 'Help mij toch'. Op dat laatste element heeft de titel van de bundel betrekking.

Ik begin mijn versie van psalm 17 met de regel 'Neem mijn waarheid op'. Het Nederlandse woord 'opnemen' heeft verschillende betekenissen die ik hier allemaal tegelijk in heb willen laten doorklinken. Het kan 'optillen' betekenen, pak mijn waarheid op. 'Opnemen' kan ook op zich nemen betekenen, zich belasten met. Houdt u toch bezig met mijn waarheid. Maar in het woord 'opnemen' zit ook: waarnemen, noteren, een foto maken van, in dit verband zou het dan betekenen: zie het toch, kijk toch. Ook kan het 'vergaderen tot' betekenen, deel laten uitmaken van: neem mij in u op.

Ik vervolg met de zin: 'Heb in u mijn smeking'. In het Nederlands kun je zeggen: dat heeft hij in zich, die mogelijkheid heeft hij wel. Mijn waarheid is een van zijn mogelijkheden. In de Statenvertaling staat er over de klacht dat hij 'met onbedrieglijke lippen gesproken' is. Ik heb daar 'onverbeelde lippen' van gemaakt. Het woord 'onverbeeld' gebruik ik in zijn eigenlijke Middelnederlandse betekenis, het is een woord dat bij Ruusbroec voorkomt, een van de beroemdste Nederlandse mystici. 'De onverbeelde lippen', in modern Nederlands zou je kunnen denken aan werkelijk bestaande lippen. Dat is niet wat ik bedoel. Ruusbroec zegt ergens: 'onverbeelt van herten', onverbeeld van hart. Als je onverbeeld bent dan ben je disponibel, beschikbaar, niet belast met allerlei voorstellingen. Ruusbroec heeft het over 'een onverbeelde vrije opgang tot God'.'

Het opmerkelijkst aan de volgende regel - uw oog aanschouwe in mij de wederga - lijkt mij dat laatste woord 'wederga'.

“In de Statenvertaling staat: 'Laat mijn recht voor uw aangezigt uitgaan, laat uwe oogen de billijkheden aanschouwen.' Billijkheden, rechtvaardigheden, ik heb de indruk dat er in deze regel een dialoog plaatsvindt. Hij heeft mij geschapen, dus ik heb het recht tegenover hem geplaatst te zijn. In een veertiende-eeuwse Engelse mystieke tekst The Cloud of Unknowing staat dat de mens 'even mete', dus evenmatig of gelijkwaardig aan God is, de mens en God staan als gelijken tegenover elkaar. Ze zijn elkaars wederga. Acht regels van onderen gebruik ik een soortgelijk woord: wederwicht. De etymologie van het woord 'wicht' is prachtig. 'Wicht' betekent 'ding', 'wezen', 'persoon'. In het oud-Engels betekent wicht ook 'demon', 'geest'.

Je weet dus niet precies wat het is, een wezen, een ding, iets bovenmenselijks? In het modern Nederlands wordt het woord vaak in een negatieve betekenis gebruikt, een verwend wicht. Hoewel het wetenschappelijk niet klopt, zou je je kunnen voorstellen dat in 'wicht' ook nog gewicht of tegenwicht doorklinkt. Zo wordt wederwicht datgene wat tegenover mij balanceert.'

Twee regels verder maakt u van 'Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht': 'Wees het peil van mijn nacht'.

“In de Canisiusvertaling staat: 'Gij peilt mijn hart.' Je krijgt door het gebruik van het werkwoord 'peilen' de associatie met niveau: u geeft zelf aan hoever mijn duisternis nog reikt. Thou hast proved my heart. U hebt mijn hart gemeten, gepeild. En u zult niets vinden anders dan uw nacht. Mijn duisternis is ook uw duisternis, wat u in mijn hart aantreft, is van u afkomstig, moet u bekend voorkomen. Daarom zeg ik verderop: 'Mijn lippen blijven namens u herhalen', en nog iets verder: 'Wat u hoort, zijn uw woorden door mij'.”

De verzen 10, 11, 12 uit psalm 17 heeft u overgeslagen. Waarom?

“Dat is het meer gewelddadige deel van de psalm. Over het algemeen heb ik de gruwelijke passages over een heer die tanden moet stukslaan of kinderen moet doodmaken in mijn bewerking weggelaten. Ik ervaar dergelijke regels als stijlbreuken, ze treden vaak op na tere passages. Ik bemoei me niet met de tekstwetenschap van de bijbel, misschien valt te bewijzen dat die gewelddadige elementen op een logische plek staan, maar ter wille van het behoud van de toon vond ik het moeilijk die gedeeltes te verwerken.”

U heeft geen boodschap aan de traditionele vijanden waarop in de psalmen gedoeld wordt?

“Ik wil loskomen van een historische benadering van deze teksten. Voor mij zijn het geen oude teksten uit het Midden-Oosten. Ik woon hier, en die teksten hebben voor mij hier, nu een religieuze betekenis. Dat betekent niet dat ik niet met een element als de ballingschap werk. Zo wordt psalm 137 gezien als een typische ballingsschapspsalm. Van de rivieren van Babel heb ik gemaakt: 'de wateren van verwarring', omdat naar mijn interpretatie 'ballingschap' betekent dat je verbannen bent uit de plek van de vrede en in verwarring bent over je huidige toestand.

In veel van deze teksten laat ik in het midden of de vijanden - die ik nogal eens 'hekelaars' noem - mensen, dingen, gedachtes, emoties zijn. Vaak beschouw ik ze als innerlijke vijanden. Als je God vraagt hen te doden, kom je in de merkwaardige positie terecht dat je God vraagt een deel van jezelf dood te maken, een deel van wat hij geschapen heeft. Ook aspecten in mij die ik vervelend vind, hebben bestaansrecht. Ik ben niet alleen mijn goeie kant, ik ben ook mijn slechte kant, en die hoeft niet stukgeslagen te worden, die moet gezien worden.

Ik zal nooit zeggen: God heeft alle goede dingen gemaakt, de mens alle slechte. De schepping is de schepping. Daar zitten ondraaglijke kanten aan. Daarom zeg ik: help mij het werk van uw hand overleven. En daarom zeg ik in psalm 17: 'Wederwicht, ontwaak!' Ik wil dat u er bent. Al het gezeur van geloof je wel of geloof je niet - dat kan me niet schelen, ik wil nu eenmaal dat u er bent.

Ik beeindig de psalm dan ook met: 'Ik wil dat u er bent/ in waarheid, als ik opsta'. In mijn huidige, nog niet opgestane toestand kan ik niet constateren dat u er bent, maar als ik na deze bestaansvorm of na de dood in de waarheid terechtkom, dan hoop ik te kunnen vaststellen dat u wel bestaat. Dit opstaan is een vorm van opstanding. Met de laatste woorden 'behouden naar de mate/ van uw aanschijn' bedoel ik weer hetzelfde als ik in het begin betoogde: mijn opstanding is evenredig aan de mate van Gods aanwezigheid, ik ben behouden naar de mate van uw aanschijn. Ik besta voorzover hij bestaat.'

Psalm 17

Neem mijn waarheid op, heb in u mijn smeking. Ken u in de klacht van mijn onverbeelde lippen. Ken u in mijn klacht. Want mijn gelaat gaat uit van uw aanschijn,

uw oog aanschouwe in mij de wederga. Neem mij waar naar uw aanwezigheid: wees het peil van mijn nacht, u zult niets vinden anders dan uw nacht. Aangaande uw mens verkondig ik u dat het niet mijn wil was te wankelen, mijn lippen blijven namens u herhalen

dat mijn pad een weg is: ik hield mijn voeten in dit spoor dat u eens tot mij zoude spreken. Nu roep ik u: hoor mij nu toch. Wat u hoort, zijn uw woorden door mij, o luisteraar naar hen

die uw hand zoude hoeden. Laat mij het hart van uw oog zijn, naaf van uw vleugelen, holst van de kring die u ziet, die ons samen wandelen trekt. Wederwicht, ontwaak!

Verlos mij van het ongoddelijke dat uw zwaard om ons heen heeft gehouwen, help mij het werk van uw hand overleven. Ik wil dat u er bent in waarheid, als ik opsta behouden naar de mate van uw aanschijn.

De Statenvertaling

(1) Heere! hoor de geregtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedrieglijke lippen gesproken. (2) Laat mijn recht voor uw aangezigt uitgaan, laat uwe oogen de billijk heden aanschouwen (3) Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst, Gij vindt niets: hetgeen ik gedacht heb overtreedt mijn mond niet.

(4 ) Aangaande de handelingen des menschen, ik heb mij, naar het woord uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers, (5) houdende mijne gangen in uwe sporen, opdat mijne voetstappen niet zouden wankelen. (6) Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort, o God! neig uw oor tot mij, hoor mijne rede. (7) Maak uwe weldadigheden wonderbaar, Gij die verlost degenen, die op u betrouwen van degenen die tegen uwe regterhand opstaan!

(8) Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw uwer vleugelen, (9) Voor het aangezigt der goddeloozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen. (10) Met hun vet besluiten zij zich, met hunnen mond spreken zijhoovaardiglijk. (11) In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hunne oogen op ons, ter aarde nederbukkende.

(12) Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te rooven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgene plaatsen. (13) Sta op, Heere! kom zijn aangezigt voor, vel hem neder; bevrijd mijne ziel met uw zwaard van den goddelooze,

(14) met uwe hand van de lieden, O Heere! van de lieden die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met uwen verborgen' schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hunnen kinderkens achter. (15) Maar ik zal uw aangezigt in geregtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld, als ik zal opwaken.

mailIcon print |