recensie 'Een Caribisch dozijn', door dertien Caribische dichters, ill. Cathie Felstead, vert. Nannie Kuiper, Ed Franck, Miep Diekmann, Herman Pieter de Boer, Bas Rompa, Johanna Kruit en Wim Hofman, Novib/Lale, 93 p, ¿ 29,90, vanaf 10 jaar, voor groep 7 en 8 van het basisonderwijs en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs verschijnt een lesbrief bij deze bundel; Caroline Binch (ill.) en Rita Phillipa Mitchell: 'Kleine grote Djo-Boy', vert. Harriet Laurey, Gottmer, ¿ 21,50, vanaf 5 jaar.
Aan dit kinderversje is niet te zien waar het vandaan komt; het zou overal ter wereld ontstaan kunnen zijn.
Een dichter uit Brits Guyana, Marc Matthews, schreef het en Nannie Kuiper vertaalde het met voelbare affiniteit. Het staat in 'Een Caribisch dozijn', een pas verschenen bloemlezing kinderpoëzie van dertien zwarte Caribische dichters (een Caribisch dozijn is twaalf plus een extraatje).
De helft van de gedichten heeft dat universele; de andere helft is duidelijk Caribisch van toon en thematiek, zonder al te nadrukkelijk zwarte of etnische poëzie te zijn. Zie gedichten als 'Hoor de Steel-Band', 'Braziliaanse voetballer' (over Pele), 'De dans van de Poinciana', 'Anansi' en 'Orkaan'. Alleen 'Klaaglied van een Arawak Kind' en 'De Pow-Wow Drum' zou je expliciet etnische poëzie kunnen noemen.
Een bloemlezing met Caribische kinderpoëzie bestond in Nederland nog niet, en is daarom zeer welkom. Er staan zeker goede en goed vertaalde gedichten in. Zoals het vederlicht huppelende, door Wim Hofman vertaalde 'Vliegertjevlug' van John Lyons. En het door Johanna Kruit vertaalde 'De boom' van Opal Palmer Adisa uit Jamaica, waarvan hier de eerste helft:
'Op de leuning van de bank stond ik te wiebelen op een been. Mijn armen werden takken dansend om me heen.
Ik was een hele oude boom in het grote diepe bos. En alle vogels in mijn hoofd zongen de stilte los.'
De tropische markt komt in geuren en kleuren op de lezer af in het gedicht 'Fruit', de magie van volksverhalen in 'Oude Mannen vol Toverij', en de natuur in gedichten als 'Wind' en 'De Kikkers die Poem Na Na Doen'.
Het Caribische zit hem niet alleen in sfeer en onderwerpen, maar ook in de taal, waarin veel herhalingen, uitroepen en onomatopeeën voorkomen ('Ping pong! Ping pong!': de steelband; 'Poem poem poem-na-na': kikkers).
Er valt echter ook veel op de bundel af te dingen. Sommige gedichten moeten, gezien het stroeve resultaat, moeilijk vertaalbaar geweest zijn, zoals 'Kip' en 'Voor Oerwoud'. Verder is het spijtig dat de uitgevers, Novib en Lâle (beide gespecialiseerd in multi-culturele uitgaven) kennelijk niet genoeg Caribisch kinderpoëzietalent in Nederland, Suriname en de Antillen hebben kunnen vinden, en dus op een buitenlandse uitgave aangewezen waren. Waarin bovendien alleen werk opgenomen is van Engelstalige Caribiërs, en niet van Frans- of Spaanstalige. Een groot dichter als de Cubaan Nicolás Guillén, die ook voor kinderen schreef, zou niet mogen ontbreken in zo'n bundel.
Verder oogt het boek kakelbont in het kwadraat. In een bundel met verschillende tekstsoorten (informatie en poëzie) en verschillende dichters (met foto) zou de illustrator, samen met de vormgever, voor rust en eenheid kunnen zorgen. Illustratrice Cathie Felstead deed precies het omgekeerde: ze heeft allerlei stijlen en technieken door elkaar gebruikt, als een staalkaart van haar kunnen. Nu kan ze heel wat, dat is duidelijk, maar ze heeft niet begrepen dat een boek illustreren iets anders is dan een stapel losse illustraties bij gedichten inleveren. En de toch gerenommeerde Britse uitgeverij Walkers Books heeft haar hierin duidelijk slecht begeleid. Jammer van zoveel talent.
Een ander kleurrijk Caribisch kinderboek komt ook uit Engeland: 'Kleine grote Djo-Boy' van Caroline Binch, met tekst van Rita Phillips Mitchell. Het verhaal is simpel en sterk. Het jongetje Djo-Boy wil maar niet groeien; het hele dorp komt er aan te pas, tot zelfs de kruidengenezeres toe. Op een dag ziet Djo-Boy dat er net een schip is aangemeerd in de haven. Het is het schip waar zijn vader op werkt. Als Djo-Boy zijn vader ziet, is hij zo gelukkig, dat hij vergeet dat hij zo klein is. In de weken daarna begint hij zomaar te groeien...
'Djo-Boy' is een waardige opvolger van 'Rosa', eveneens van Caroline Binch, dat in 1993 de Prijs van de Kinderboekwinkels kreeg. Het is in dezelfde naturalistische stijl geschilderd, zij het nu wat losser. Die stijl oogstte bij 'Rosa' kritiek omdat die niets vernieuwends heeft. Alsof alleen vernieuwende jeugdliteratuur kwaliteit kan hebben. 'Vallen', de met de Woutertje Pieterse Prijs bekroonde jeugdroman van Anne Provoost, is ook niet vernieuwend, maar heeft wel kwaliteit. Goed, Binch zou geposeerde foto's nageschilderd kunnen hebben. Maar haar prenten hebben een levendigheid en expressie wat betreft gloed en nuances in de donkere huidskleuren, vooral in de karaktervolle gezichten, die foto's nooit zouden kunnen bereiken, terwijl de achtergrond, een Antilliaans aandoend dorp, schetsmatig en licht van kleur is gehouden. Met foto's was zo'n voorgrond-achtergrond-contrast niet mogelijk geweest. Gegeven het naturalisme is 'Djo-Boy' knap vakwerk, zij het wat statisch, over menselijke warmte en zelfrespect.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.