*

 

'Als altijd wanneer hij te veel gepraat had, voelde hij zich diep ongelukkig'

T. VAN DEEL − 23/01/98, 00:00

recensie Had 'Het Bureau' van J. J. Voskuil ook wel korter gekund? Het is een volstrekt theoretische vraag natuurlijk, want het boek telt nu eenmaal meer dan vijfduizend bladzijden. Wie er liever vijfhonderd had gewild, heeft een ander boek voor ogen. De vraag veronderstelt dat bij een dergelijke omvang lang niet alle onderdelen van het geheel er in dezelfde mate toe doen en dat van vijfduizend bladzijden er onmogelijk alle vijfduizend onmisbaar kunnen zijn.

Nu ik het vierde deel heb gelezen, het middelste van de zeven en met duizend bladzijden het dikste, ben ik te meer geneigd de omvang van 'Het Bureau' een van de meest intrigerende kwaliteiten van het boek te vinden. Dat er geen woord te veel in deze roman staat, zou ik niet durven beweren, maar wel dat er bijna geen woord in staat zonder reden.

De uitvoerigheid waarmee de verschillende scènes zijn beschreven, is maar schijn. Eerder geeft de tekst het gevoel dat er heel lucide een samenvatting wordt gegeven van een realiteit, waardoor deze zich minder oppervlakkig dan wel wezenlijk laat kennen. 'Het Bureau' is zo bezien, paradoxaal genoeg, vooral een zuinige en ingehouden roman, waarvan het realisme ogenblikkelijk een symbolische betekenis krijgt.

Het Bureau waar Maarten Koning, de hoofdfiguur, is het maatschappelijk laboratorium waarin de personeelsleden betrekkingen met elkaar aangaan, of ze nu willen of niet. In Konings visie blijft de omgang met mensen een zware opgave, hij voelt zich vaak gedesoriënteerd, bedreigd, gedeprimeerd, geïrriteerd, verstard - het zijn woorden die steeds terugkeren in de tekst. De samenleving van het Bureau wordt beheerst door een hiërarchische structuur en een daarmee gepaard gaande verdeling van verantwoordelijkheden.

De sociale psychologie in een dergelijk netwerk heeft veel weg van een onderlinge strijd, men moet vechten om te overleven, macht aftasten, uitproberen hoe ver men kan gaan. Koning is het hoofd van de afdeling Volkscultuur en in de loop van deel vier, dat 'Het A. P. Beerta-Instituut' is getiteld, krijgt zijn toch al gegroeide afdeling er nog enkele nieuwe medewerkers bij. Een eigen, nieuw tijdschrift voor volkscultuur bezorgt hem handenvol werk, werk dat hij met tegenzin, maar ook altijd trouwhartig volbrengt.

Heel die slangenkuil van een kantoor, waarin iedereen iedereen in de gaten houdt en waarin altijd iets gezocht wordt achter gedragingen en uitlatingen, beschrijft Voskuil tot in de meest banale uithoeken. De medespelers of tegenspelers van Koning zijn in de loop van de delen uitgegroeid tot bekende typen, als in een soap, van wie bij hun optreden niets anders verwacht wordt dan zichzelf te zijn. De heer Wigbold, de portier, moet altijd vroeger naar huis omdat zijn vrouw ziek is of is afwezig omdat hij zelf ziek is. Directeur Balk gedraagt zich onveranderlijk bot en kortaf. Bart, een medewerker van Koning, grossiert in reacties in de trant van “Daar wil ik dan wel eerst eens met je over praten.” Ad, een andere medewerker, blijft veel thuis omdat hij het gevoel heeft moe, warm of ziek te zijn.

Meneer Beerta, de voorganger van Balk, herstelt in dit deel van zijn beroerte en wordt door Koning regelmatig opgezocht in zijn Amstelveens herstellingsoord. Op de laatste bladzij krijgt het Bureau, dat zich onder bezuinigingsdreiging als een solide eenheid wil presenteren, de naam A. P. Beerta-Instituut.

Herhaling is een belangrijk vormgevingsprincipe in 'Het Bureau'. De discussies met Bart bijvoorbeeld, die altijd gaan over het zich al dan niet verantwoordelijk moeten of hoeven voelen, nemen in dit deel toe en lijken op een definitieve uitbarsting aan te sturen.. Het is opvallend hoe eindeloos gewillig Koning zich de tegenspraak van Bart laat aanleunen, altijd redelijk blijft reageren en zoveel mogelijk een democratische besluitvorming blijft voorstaan. Het zich herhalende karakter van de botsingen versterkt de symbolische trekken van Voskuils realisme: er tekenenen zich gedrags- en gesprekspatronen af, schema's van hoe het toegaat bij menselijk contact. De roman heeft wel iets weg van een literair-ethologisch onderzoek.

Verder komen er weer de vergaderingen, congressen, uitstapjes naar het boerenland, huiselijke twisten met Nicolien, bezorgdheden omtrent dieren en dergelijke voor, alles zodanig verteld dat het exemplarisch wordt voor het menselijk bestaan en hoe Koning daarover denkt. In korte zinnetjes staat zijn gemoedsgesteldheid soms perfect omschreven: “die mengeling van teleurstelling en voldoening die hij altijd bij onverwachte tegenslagen voelde” of “Als altijd wanneer hij te veel gepraat had, voelde hij zich diep ongelukkig.”

Koning beschouwt “wetenschappelijke publicaties als een verhulde vorm van schrijven over de eigen levensbeschouwing”. In wetenschap gelooft hij niet, 'apekool' vindt hij het. Hij moet in de periode van deel vier, die loopt van 1975 tot en met 1979, toch enkele bijdragen leveren aan het tijdschrift, waaronder enkele zeer principiële die gedeeltelijk zijn opgenomen in de roman. Zijn afwijkende opvattingen brengen hem in conflict met vakgenoten, dat bleek ook al in eerdere delen.

Ook Konings relativering van de wetenschap stuit op verzet. Hij verkeert niet in “de illusie dat wij door orde te scheppen in de chaos die wij cultuur noemen, inzicht krijgen in onze eigen situatie”. Konings levensbeschouwing leunt tegen die van Willem Frederik Hermans aan, al spreekt hij niet met zoveel woorden van een 'sadistisch universum'.

De humor van 'Het Bureau' is er over het algemeen eentje van op de lange baan en valt niet gemakkelijk in kort bestek te ondergaan, zozeer is die een zaak van cumulatie. Hoe laconiek, naast hilarisch, Voskuils humor is, bewijst een zinnetje als het volgende. Koning loopt halfziek over straat en ademt hevig in, veronderstellend dat een beetje extra zuurstof hem goed zal doen: “Zuurstof was trouwens in het algemeen een geneesmiddel waarin hij veel vertrouwen had.”

Uit de menigte scènes van de roman kies ik er eentje uit 1976 die typerend is voor Konings omgang met de mensen en voor Voskuils subtiele, precieze woordkeuze. Koning haalt melk voor het personeel:

“In de melkwinkel was het stil. De vrouw van de melkboer, een meisje nog, en de winkeljuffrouw, ook nog een meisje, stonden achter de toonbank met elkaar te praten. Hij groette ze half binnensmonds, iets tussen 'goedemorgen' en 'goeiemorgen', aarzelend tussen een joviale nadruk en een eenvoudige toon. Ze onderbraken hun gesprek zonder iets terug te zeggen. 'Wat zal het zijn?' vroeg de winkeljuffrouw. Het viel hem op dat ze zich nog blauwer had opgemaakt dan de vorige keer, een kind nog, maar geestelijk wel aan haar top. 'Acht karne en één melk graag', antwoordde hij, en hij kon als zo vaak bij dit soort menselijke contacten moeilijk zijn geestdrift bedwingen toen bleek dat ze hem verstond. Een zoon en een dochter van hetzelfde volk. 'Hoeveel is dat?' vroeg hij terwijl ze de pakjes voor hem op de toonbank stapelde. Hij haalde zijn portemonnaie uit zijn achterzak.

Ze sloeg de bedragen aan op de kassa en wachtte tot de machine het voor haar had uitgerekend. 'Vier zesenveertig.'

Hij scharrelde onhandig het geld bij elkaar en gaf haar vier gulden en twee kwartjes.

'Hebt u geen cent?' vroeg ze, in de la van de kassa rommelend. 'Nee', hij schoof het geld in zijn portemonnaie met zijn wijsvinger heen en weer.

'Dan komt die nog wel eens', ze gaf hem een stuiver terug.'

Deze scène tekent Koning: zijn oplettendheid, zijn onhandigheid en ongemakkelijkheid in de omgang, zijn ontwapenende vreugde om een geslaagd contact. En wie hem kent, en dat behoort na vier delen 'Het Bureau' tot de mogelijkheden, weet dat hij nog diezelfde avond een cent aan Nicolien zal vragen en bij zich zal steken, want in het krijt staan bij iemand, ook al is het nog zo weinig, is voor hem een onverdraaglijke gedachte.

mailIcon print |