*

 

'Als iemand niet snel vrede sticht, vergrijp ik mij aan Kleisthenes'

HANS ORANJE − 15/09/95, 00:00

recensie Aristofanes: Vrouwenstaking. Vrouwenfeest. Vrouwenpolitiek. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 230 blz. - ¿ 69 (geb.), ¿ 49,90 (paperback).

Toen al werd tegen die teneur terecht geprotesteerd; nu lees je het pamflet met verbazing: wat waren deze geleerden weinig genegen hun ivoren toren van het Grieks te verlaten, wat waren ze weinig geïnteresseerd in de eigen kracht van een Nederlandse vertaling.

In het pamflet werd van de Griekse komedie uit de vijfde eeuw voor Christus helemaal niet gerept. De onvertaalbaarheid van Aristofanes (de enige komedie-schrijver van wie complete stukken over zijn) stond voor hen waarschijnlijk buiten kijf, en dat is, denk ik, nog steeds de algemene gedachte. Hein van Dolen is het daar niet mee eens. Hij heeft de drie 'vrouwenstukken' van de dichter vertaald en pleit er voor dat ze worden opgevoerd.

De vrouwenstukken van de dichter zijn: 'Lysistrata' (Vrouwenstaking) uit 411. In de zich voortslepende oorlog tussen Athene en Sparta besluiten de vrouwen van alle Griekse staten een seksstaking te houden om zo hun mannen te dwingen vrede met elkaar te sluiten. 'De viersters van het Thesmoforiënfeest' (Vrouwenfeest) is uit hetzelfde jaar. Een elck-wat-wils stuk met een hele reeks van parodieën op pas opgevoerde tragedies, vooral van Euripides; de complete serie mannenmoppen uit die tijd over vrouwen, en komische nummers met een Grieks brabbelende Skythische politieagent.

De 'Vrouwen in volksvergadering' (Vrouwenpolitiek) is van veel later, 392. De vrouwen van Athene grijpen via een list de macht. Hun eerste regeringsdaad is het afschaffen van het privé-bezit; omdat een Athener geen onderscheid kende tussen 'bezit' van een vrouw of van een stuk land, zitten de komische mogelijkheden van de plot vooral in het seksuele communisme dat de vrouwen instellen.

De vertalingen die Van Dolen van deze stukken heeft gemaakt, zijn spetters van cabaretteksten. De charme ervan is dat ze ontleend zijn aan de grappen die Atheners vierentwintig eeuwen geleden met elkaar maakten tijdens hun festivals. Maar daarmee houdt de vergelijking ook onmiddellijk op; Van Dolen laat overtuigend in zijn vertaling zien dat je wel teksten van Aristofanes leuk kunt vertalen (vooral als je het lef hebt ongegeneerd te verraden: traduttore traditore), maar dat de komedie zelf onvertaalbaar is.

De komedies van Aristofanes (of welke satirische teksten ook uit een andere dan je eigen tijd) zijn onvertaalbaar, omdat ze onbegrijpelijk zijn. De grappen die gemaakt worden (over personen, politieke kwesties, de samenleving) moeten je worden uitgelegd. Bij Aristofanes is dat gebeurd in aantekeningen die in de loop van eeuwen in de kantlijnen zijn neergeschreven, en uit veel aantekeningen blijkt dat de commentator ook maar wat gist. Als pure cabarettekst is Aristofanes dus helemaal niet zo leuk, want je snapt zo weinig. Vrijwel de enige uitzondering daarop zijn de scabreuze grappen: de fysieke eigenaardigheden van winden laten, nodig moeten, een stijve hebben, enzovoort zijn in die vierentwintig eeuwen niet zo gek veel veranderd.

Van Dolen heeft daarom in zijn vertaling Aristofanes gereduceerd, overigens geheel te goeder trouw, tot antieke onderbroekenlol. De verwijzingen naar alle andere aspecten van de stadscultuur in oorlogstijd schoffelt hij onder (soms geeft hij een verklarende noot) of bouwt hij om. Vooral dat laatste is riskant: de vertaler moet dan varen op zijn eigen geestigheid, en dat als vertaling aanbieden vind ik maar zo zo.

Een voorbeeld: aan het eind van 'Vrouwenstaking' komen de Atheense en Spartaanse onderhandelaars, zuchtend en steunend onder hun monsterlijk gezwollen fallussen, het toneel op. De Atheense ambassadeur verzucht: “Als iemand niet snel vrede sticht, vergrijp ik mij aan Kleisthenes.” Deze Kleisthenes was een bekende 'nicht' uit de Atheense homo-scene. Van Dolen vertaalt behendig: “Die vrede moet er komen. Als dat niet gebeurt, dan schakel ik mij om op noodhomofilie.” De koorleider maant hem zijn fallus te bedekken: “Straks ziet nog iemand van de Hermes-hakkers jullie.”

Dat is een grap met een paar bodems. Enkele jaren daarvoor hadden onbekenden, vlak voordat de Atheense vloot zou uitzeilen voor de desastreus verlopen expeditie naar Sicilië, 's nachts de stenen beelden van de god Hermes, die overal in de stad op hoeken en pleinen stond, ontdaan van zijn fier opgeheven mannelijk geslachtsdeel. Er ging een golf van schrik door de stad. Algemeen verdacht men de antidemocraten ervan deze religieuze wandaad verricht te hebben: tot de expeditie was immers door de volksvergadering besloten door het drijven van de volksmenners, tegen wie Aristofanes een speciale grief heeft.

Als dit stuk aan het eind van de winter van 411 gespeeld wordt, hangt een putsch van de antidemocraten in de lucht. De opmerking van de koorleider heeft een ondertoon van échte dreiging. Hier vind ik Van Dolen buitengewoon zwak: “Wees toch voorzichtig. Sla die kleren om. Een pik is men zo kwijt: er zitten homo's in de zaal. . .”

Het alternatief voor de aanpak van Van Dolen is een tekst waarin het aantal regels 'verklaringen' dat van de vertaling verre overtreft. Het lachen zou de lezer snel vergaan.

Ik geef Van Dolen ook gelijk als hij stelling neemt tegen de opvatting dat je Aristofanes alleen recht kunt doen door “een volledige transpositie en transformatie van de basis-idee naar de tijd en de omstandigheden van de moderne opvoering”. Ik vrees dat de meligheid van zo'n bewerking niet om door te komen zou zijn. Maar is deze, fraai opgetuigde, vol buitelend-rijmende passages gestopte, bonbondoos van snaakse ondeugendheden wél Aristofanes? Nou ja, een heel blote dan, ontbloot van de politieke en literaire scherpzinnigheden die de (vaak botte) wapens van de komedie-dichter zijn. En zó'n blote dichter is, voor wat hij was, bijna een ontmánde dichter.

mailIcon print |