recensie De tweede bundel van Patty Scholten, 'Ongekuste kikkers', bevat net als haar debuut 'Het dagjesdier' tweeënveertig sonnetten. Scholten kan uitstekend met deze versvorm overweg. Ondanks het strakke keurslijf plooit haar taal zich soepel naar de vaak komisch-ontroerende inhoud. Zij schrijft geestig, verstaanbaar en gevoelvol en als zodanig is ze een typische vertegenwoordigster van het light verse.
Dat genre mag door zwaarwichtige lieden als kunst met een kleine 'k' worden aangevoeld, maar dat is natuurlijk onzin. Ook in het lichte genre zijn grote dingen mogelijk, zoals Kees Stip, Drs. P, Willem Wilmink, maar ook incidentele adepten als Buddingh' en Komrij, genoegzaam hebben bewezen.
Met Kees Stip, alias Trijntje Fop, heeft Patty Scholten tevens een voorkeur voor het diergedicht gemeen. Haar schatplichtigheid aan Stip brengt zij in haar nieuwe bundel tot uiting door het gedicht 'De uil' aan hem op te dragen. Overigens gaat zij heel anders te werk dan haar bewonderde voorganger. Kees Stip is het meer om de taalvondsten en -spelletjes dan om de dieren zelf te doen. Patty Scholten portretteert de dieren echt. Als zij een stel zebra's achter tralies 'een boevenpakje' aanmeet en zich het hoofd breekt over hun 'streepjescodekonten', is dat zowel grappig als ontroerend.
Wat bij Scholten in de eerste plaats opvalt is haar treffende beeldspraak. Ze kijkt goed en weet wat zij ziet ook scherp te verbeelden. Wolven zet zij met één streek in hun ruige aandoenlijkheid neer: 'ongekamde herdershonden'. Van doodshoofdaapjes heet het: 'Geen knekelkop, maar levendige ogen / in mosterdgele capuchon-gezichtjes'. De komische formuleringen doen aan de werkelijkheid niets af, maar brengen die juist scherper in beeld.
Haar beschrijving van de 'platvloerse' roggen in het dolfinarium is in één woord raak: 'Bruinwit gevlekt of glanzend zwart fluweel: / er vliegen hier tapijten onder water'. Ook de beginregels van 'De slak' herbergen een even grappige als prachtige metafoor: 'Tamboer met kleine glazen trommelstokken, / in elke stuiterbol een zwarte punt'. De glazen trommelstokken vormen een teer en helder beeld voor slaks ogen op steeltjes.
Die teerheid beheerst het hele verdere gedicht, dat de min of meer universele jeugdervaring memoreert dat een slak zijn ogen zo grappig intrekt als je ze aanraakt. De dichteres ziet er achteraf een symbool in van de eigen waakzame schuwheid: 'Toen is het zilveren slakkenspoor getrokken./ Ik laat me af en toe mijn schulp uitlokken / maar als ik buiten ben: raak me niet aan'.
'De slak' toont al wel aan dat deze diergedichten veelal van menselijke emoties en associaties zijn doortrokken. Het geeft ze iets aangenaam dubbelzinnigs. Een fraai voorbeeld is het openingsgedicht 'De ratelslang', dat zoals de meeste van deze gedichten is gesitueerd in de dierentuin.
Dit opgetolde kwaad, meetlint van zonden, ligt schuldeloos te slapen bij de ruit. Rondom hem liggen lappen oude huid. Wie zoveel zont, vervelt ook onomwonden
Al eet hij vlees, hij adviseerde fruit. Maar Eva kon zijn boodschap niet doorgronden. Hij ratelde nog wel zo opgewonden, flitste zijn vleesvorkje wild in en uit.
Het paradijs is kort daarop gesloten. De boom werd omgehakt, de slang gevangen. Het gif, daar zijn de appels mee bespoten.
Die symboliek was ik me niet bewust. Ik werkte in Artis. Bij de ratelslangen werd ik - zoet zeventien - voor 't eerst gekussssst.
Bijbelse zondeval en de zoete 'zonde' van de eerste kus worden hier meisjesachtig speels - sweet seventeen! - met elkaar verknoopt. De slang blijft als aanjager van deze associaties en symbolen echter steeds concreet in beeld, zelfs in die merkwaardige beginregel, waarin hij toch onmiddellijk met abstracta als 'kwaad' en 'zonden' in verband wordt gebracht. Aan het slot spreekt de dichteres met zíín dubbele tong, sissend en wel.
Zo gaat het in veel andere gedichten ook. Het dierlijke en menselijke doordringen en spiegelen elkaar voortdurend en het effect doet soms denken aan een lachspiegel die meer onthult dan je lief is.
Die dubbele bodem is in de elf slotsonnetten, die niet over dieren gaan, afwezig. Toch zijn ook deze dankzij die speciale mix van lichtvoetige weemoed meestal wel boeiend. 'Oude dames' bijvoorbeeld (ik citeer vanaf strofe 2):
Een fleurig sjaaltje siert hun saaie jas, een beetje lipstick tegen het ontbladeren en zilverwitte krulletjes omkaderen 't gezicht dat vroeger mooi of lelijk was.
Dit is mijn voorland, zo zal ik verwelken. Ik maak een praatje met ze over 't weer en ruik een vleug parfum van aronskelken.
De bus vertrekt. Ze zingen zacht een lied: sirenen met een lofzang op weleer. Ze wenken naar me. Maar ik wil nog niet.
Dit is light verse die met gedempte humor en pijnlijke waarheid te berde brengt: dat de ouderdom het stadium van mooi of zelfs maar lelijk zijn al is gepasseerd. Scholten spot er niet mee, het is haar eigen voorland immers, maar ze houdt de oude 'sirenen' ten slotte wel met komische nadruk op afstand: 'ik wil nog niet'. Daarmee is de harde waarheid toch weer even tot draaglijke proporties teruggebracht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.