recensie Tomas Lieske, 'Grondheer', uitg. Querido, 64 blz. - f 29,90
Deze gedichten kennen bijna geen inzinkingen. Zij leggen 'onmogelijke' verbanden tussen het persoonlijke en het algemene, het actuele en het historische, en geven juist zo een goed inzicht in de tegenstrijdige emoties en indrukken die ons dagelijks bestormen. Zij verhelderen, kortom, door te compliceren. Lieske volbrengt dit alles met een ernstige zwier, die toch het speelse en sensuele niet schuwt.
Lieske heeft een voorkeur voor het panoramische, De gedichten in 'Grondheer' zijn dan ook behoorlijk op lengte: de beide laatste beslaan zelfs vijf, respectievelijk zes bladzijden. Maar in bij voorbeeld het slotgedicht, 'Van alle roeiers ben ik', dat overigens interessante overeenkomsten vertoont met het slotgedicht van zijn vorige bundel, haalt Lieske dan ook heel wat overhoop. Het beschrijft, in prachtig prille kleuren, een soort mythische roeitocht door het Den Haag van zijn jeugd, waar de vrouwen zwanger gaan van 'hun toekomst en ons heden':
De helle dag begon, het zeelicht
straalde,
de straat was nat, de emmers
stonden klaar,
de rokken spoelden om de benen,
de waters
vingen aan. Wij dreven naar het
heden.
In fraai en betekenisvol contrast hiermee staat de plek, in het Den Haag van nu, waar de ouder geworden dichter dit alles memoreert: het statische, doodse decor van een vuilverbrandingsoven aan de Loosduinseweg.
En passant worden in dit gedicht ook Praag en Venetie, en zelfs 'het Europa van Bach' aangestipt. Met subtiele associaties en terzijdes weet Lieske heden en verleden, het archetypische Den Haag en de bredere Europese context te zwaluwstaarten. Hij is er zich terdege van bewust dat dit fascinerende spel van samenbrengen en overvloeien alleen gespeeld kan worden in en door de poezie. 'De woorden zijn de zachte reuzen die ik nodig heb', staat er ergens, en ook: 'Ik ben de laatste roeier. / ( . . . ) Uit de grijze as / van zeil en mast en roeiers komen dan de woorden./ Woorden als riemen, zoute woorden, sterk / als metalen of vluchtig als verbrande kruiden.'
Het moge duidelijk zijn dat de woorden in de optiek van Lieske machtswoorden zijn; zij brengen grote dingen tot stand. Deze onverbloemd positieve visie op het dichterlijk woord doet te midden van de thans vigerende postmoderne Spielerei en skepsis weldadig aan.
'Grondheer' bestaat uit drie afdelingen. De eerste bevat vitaal-weemoedige herinneringen van een ikfiguur aan het schildersbedrijf van zijn vader. De sfeer ervan wordt in hoge mate bepaald door de tegenstelling tussen leven en dood, jeugd en ouderdom, het tijdelijke en het eeuwige. De schilder is nu eens een doodgewone Haagse ambachtsman, en dan weer een in de verbeelding van de ik tot vorstelijke proporties uitvergrote tiran en Oosterse verkwister.
Maar in alle gevallen is hij een man die kleur brengt in een grauwe wereld, totdat ook hij aanloopt tegen de grens van het leven: 'Oud // als vlinders in hars is mijn schilder,/ een mummel die niet meer uit zijn kleuren / komt.'
De tweede afdeling zou je een poetisch insectarium mogen noemen. Ieder gedicht is een exotisch, soms grotesk wereldje op zich waarin nu eens de egelvlo, dan weer de cicade, de galwesp, de segrijnslak of de zwarte weduwe als 'hoofdbewoner' figureert.
Behalve verkapte liefdesgedichten zijn het ook talige fantasieconstructies waarin de dichter de geschonden wereld weer terugtovert naar haar ongeschonden staat:
Cicade, je maakt de heuvels van
Europa
weer groen, je voert onze landen
terug
naar de renaissancistische jeugd,
de vrolijke eeuw na de kille
roestende ridder in zijn scharnieren
harnas.'
De derde afdeling ten slotte is ongetwijfeld het meest gecompliceerd. In deze min of meer mythische gedichten gaan velerlei observaties en gevoelens ingewikkelde dwarsverbindingen aan.
Hier regeert de paradox: 'Het zonlicht uit de ijskast / dooit nu snel. Onder een blinddoek is koud water / brandend.' Hier regeert ook het geweld, al was het maar in de vorm van de ontvankelijkheid van een veertienjarig meisje voor 'de ideeen van soldaten'.
Een existentieel besef van begin en einde, liefde en haat, speelt hier een belangrijke rol, bij voorbeeld in het schrijnende gedicht 'Na de abortus'. Het omvangrijke 'Zolang dit gedicht' is een soort gruwelsprookje waarin het braaf-residentiele Den Haag overvloeit in de gewelddadige actualiteit van Bosnie. Lieske mag dan voortdurend 'andere werelden' bij elkaar fantaseren, maar zijn poezie is toch verre van escapistisch.
Wie is nu eigenlijk die grondheer? Een grondheer beheert, vrij vertaald, een niet-leenroerig, dus eigen stuk grond. De titel wordt al in het eerste gedicht van de bundel toegespitst op de vader/schilder: 'Heer van lak // en grondverf, meester van dit schildersbedrijf, / van liefdevol strijken over de posten van deuren / als waren het houten dijen'.
De slotstrofe bevat een onuitgesproken, maar dwingende suggestie dat het schildersbedrijf tevens als symbool van het dichtersbedrijf moet worden opgevat: 'Dit bedrijf, dit gehoond ambacht / dat achteloos over de tong gaat, dat bloeit / in de stilte, dat beeld aan beeld rijgt, / kleur na kleur opzet.'
Uiteindelijk, zo blijkt uit deze mild provocerende versregels, is de dichter zelf grondheer. Ieder gedicht voegt een nieuw territorium toe aan zijn poetische domein. Het telkens opnieuw veroveren, in kaart brengen en beheren van die nieuwe gebieden is een kunst op zich. En Lieske beheerst die kunst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.