*

 

Verdwalen in de imaginaire plattegrond van een stad

ONNO BLOM − 23/01/98, 00:00

recensie De debutant Hans Hansma Marinus heeft zichzelf als schrijver voor een enorme opdracht gesteld. Blijkens de folder van zijn uitgever, Querido, is hij al twaalf jaar lang bezig aan het schrijven van een groots opgezette romancyclus. Binnen die reeks, met de mooi omarmende titel 'Amfitheater', zijn twee soorten boeken te onderscheiden: de romans zelf, en de parallel verschijnende 'zendbrieven'.

De eerste twee boeken zijn nu van het spreekwoordelijke topje van de ijsberg afgebrokkeld. Het eerste werk, de roman 'Een druppelvormig plein', bevat brieven van een zekere Essie van Monnickedam aan ene Teresa van Cordova. Het andere boek, 'Gezelletijd', bestaat uit zendbrieven van de schrijver aan zijn vrienden over het schrijven.

Eerst 'Een druppelvormig plein'. Bij het vluchtig doorbladeren vertoont de tekst een grillig patroon, alsof het een dikke bundel prozagedichten betreft. Regels worden halverwege afgebroken, opeenvolgende zinnen beginnen rustig zes keer met hetzelfde woord. “De vrouw aan het plein speelt een spel, ze speelt een spel en ze schrijft, schrijven is voor haar ook een spel.” Zo luidt de beginregel, die de schrijver alle eer aandoet. Direct maakt Hansma Marinus duidelijk, dat er van hem geen rechttoe rechtaan verhaal te verwachten valt. Hij speelt een ingewikkeld spel, niet alleen met zijn eigen woorden en zinnen, maar ook met de lezer.

Zo'n begin intrigeert. Het schept de verwachting dat op een afwijkende manier iets zal worden duidelijk gemaakt. Op de eerste bladzijden is er sprake van een verbeelde stad, waarin de belangrijkste figuur, Essie, torens voor zich ziet, de kleur oker (die ze spelt als 'ooker'), de blauwe lucht en een plein. “Omdat het plein een poortplein is geweest, een plein in de vorm van een schelp, van een druppel, pal achter de poort, denkt ze de poort er weer in.”

Het zijn vreemde regels. Ze moeten evocatief zijn, maar wat er precies moet worden opgeroepen, blijft onduidelijk. Wat is dit voor plein? De beroemde campo in Siena? Een verzonnen plein, samengesteld uit bedachte muren, huizen en stenen? En wie is Essie? Hoe oud is ze, uit wat voor gezin komt ze, waarom zit ze de hele dag niets te doen? Geen van die vragen wordt beantwoord. Langzaam maar zeker maakt het gevoel speels te worden uitgedaagd plaats voor onbehagen.

Essie kijkt naar de gebrandschilderde ramen van de A-kerk in Groningen, fantaseert over de mannetjes die in die ramen staan afgebeeld. Ze mijmert over de beelden van Artemis en Hermes op het Museumplein in Amsterdam, en vertelt verhalen van ene Emy en een 'Heerenboer' over een boerderij op het Groningse platteland en een theater aan de kust van Sicilië. Des te lyrischer Essie haar associaties over gebouwen en mythische plaatsen over de bladzijden laat tuimelen, des te meer je verdwaalt op de plattegrond van deze imaginaire stad.

De hoop dat de zendbrieven (wat een vreemd woord trouwens, brieven zijn toch altijd ter 'zending' bedoeld, zelfs als ze uiteindelijk niet worden opgestuurd?) de roman zouden kunnen verhelderen, wordt al snel verstoord. Beide boeken reageren slechts averechts op elkaar. Ook hier valt niets te leren over de persoonlijke achtergronden van de personages. Alleen het geslenter van de schrijver door Amsterdam, zijn toevallige ontmoetingen en zijn verblijf in een zomerhuisje aan het Lauwersmeer worden onthuld, tussen allerlei diepzinnigheden door. Helderheid? Op pagina één van 'Gezelletijd' is dat al een illusie: “Ik moet aantekeningen blijven maken en ik moet mijn oude aantekeningen ordenen, misschien zelfs systematiseren. Emile zegt dat er een lineaire systematiek zit in mijn werk. De hemel mag weten waar hij dat vandaan haalt.”

Nu is er in de literatuur niets op tegen een tijdje in het ongewisse gelaten te worden. Pas na een tijd ontdek je in Hella Haasse's essay 'De tuinen van Bomarzo' het verhaal dat de monsters van het labyrint in het kleine Italiaanse stadje de schrijfster te vertellen hebben. Omgekeerd krijgt de verdwazing in Bernlefs 'Hersenschimmen' sluipend de overhand, totdat de taal helemaal ophoudt. Maar Hansma Marinus doet helemaal geen poging, noch aan het begin, noch aan het einde, helderheid te scheppen. Een verhaal of een ontwikkeling is er niet, zelfs gegevens over zijn personages laat hij achterwege. Het enige waar hij werkelijk in geïnteresseerd lijkt te zijn, is zijn lyrische stijl zelf.

Misschien is het beter beide boeken te vergelijken met abstracte schilderijen of muziekstukken, dan met een essays of romans. Hansma Marinus heeft 'Een druppelvormig plein', als in een partituur, ingedeeld in een gedeelte 'ascendo', drie canti en de 'elegia'. Net als in de muziek, dat immers geheel uit 'onbegrijpelijkheden' bestaat, slaat zijn stijl slechts terug op zichzelf. Hij maakt veel gebruik van klank, 'ze laat ze zacht en van binnen hinniken', en van citaten in de muzikale taal bij uitstek: het Italiaans van Dante en Petrarca.

Het meest in het oog - en dus ook: in het gehoor - springen de talloze herhalingen. Zes opeenvolgende zinnen beginnen rustig op exact dezelfde wijze, hele alinea's worden letterlijk herhaald. En dat is niet omdat het zulke mooie zinnen zijn. Integendeel, Hansma Marinus schrijft vaak nogal hoekig. Zo herhaalt hij talloze malen in 'Gezelletijd' de zin 'het weer is heet'. Wat wil hij hiermee? Het is een lelijke zin, het woordje 'weer' kan er beter uit weg. Bovendien betekent het niets. Het tergende repeteren irriteert, en zorgt daardoor nu juist niet voor een verstikkend gevoel van hitte.

De enige aanwijzing voor dit dreunende ritme van herhalingen is een terloopse opmerking van de schrijver: “In de tijd dat ik Aeschylus probeerde te lezen in de taal waarin hij geschreven heeft, moest ik veel rijtjes van woorden leren. De woorden die ik miste schreef ik op. Zo ontdekte ik dat enkel en alleen het opschrijven voldoende was om ze te onthouden. En deze lyriek heeft me nooit meer verlaten.”

Het is slechts een aanwijzing, geen verklaring voor de stijl. Het benoemen van kleuren, geuren, het herhalen van klanken is nu eenmaal op zichzelf niet genoeg om iets op te roepen. Het gaat om de manier waarop. Een roman is geen muziek, waarbij je de ogen kan sluiten om het geluid je te laten doorstromen. Evenmin werkt een roman als beeldende kunst: als je maar lang genoeg staart naar een abstract doek duiken er vast wel gezichten op in de schaduwen van klodders verf.

Zo werkt het in een roman nu eenmaal niet: daarin moeten de ideeën, gevoelens of beelden worden opgenomen in een werkelijkheid - illusoir of niet - die door goed lezen valt te achterhalen. Niet voor niets wordt 'Een druppelvormig plein' opeens levendiger als het staren uit het raam even ophoudt en Essie van Monnickedam met haar geliefde 'Gee' een reis maakt naar Parijs, Madrid en Cordova. Eindelijk gebeurt er iets!

Met spijt moet ik constateren dat twee boeken, waarin zoveel aansprekende elementen als het idee van de stad, een Latijnse ziel en een gewaagde stijl toch zo'n gevoel van onbehagen achterlaat. Het ergste is eigenlijk, dat romans die zo over beelden en stemmingen gaan geen helder beeld of krachtige indruk op me hebben weten achter te laten. Nergens vind ik de poort in het plein, waarachter het licht van helderheid gloort. Ik heb eindeloos rondjes gelopen, steeds dezelfde gebouwen gezien, maar ben niets opgeschoten als ik in de allerlaatste alinea lees:

“En ik begrijp, hier bezingt de taal haar eigen bestaan. Hier bezingt de taal zichzelf, hier bezingt de taal haar eigen bestaan. Hier bezingt de taal haar eigen bestaan en het bestaan van haar liefde. Hier bezingt de taal haar eigen bestaan en haar vermogen liefde te geven. Hier bezingt de taal haar eigen bestaan en haar vermogen om zin en betekenis te zijn. Haar vermogen om zin en betekenis te zijn en zin en betekenis te geven.”

mailIcon print |