*

 

Musje leert schelden als de beste

LIEKE VAN DUIN − 08/10/97, 00:00

recensie 'Lig je te dromelen?' - 'Ben je alleenzaam?' - 'Was je ongerustig?' In de eerste helft van 'Musje bang, boos, verliefd' van Arno Bohlmeijer gebruikt Musje veel woorden die ze zelf bedacht heeft. Daarna moet ze vanwege haar leermoeilijkheden naar een speciale school: een ware cultuurschok voor het beschermd opgevoede meisje, en haar taalgebruik verandert drastisch. Als mama nu vraagt hoe het op school gaat, antwoordt ze: 'Klote!' Verderop heet het: 'Ik ben bijna van mijn fiets gepleurd.' En schelden leert ze ook als de beste: 'Kakkerlijers!' Maar mét deze grove taal leert de overgevoelige, altijd om anderen bezorgde Musje ook van zich afbijten.

Vorige week vrijdag kreeg Arno Bohlmeijer het Charlotte Köhlerstipendium 1997, een aanmoedigingsprijs die jaarlijks wordt uitgereikt aan een veelbelovend beginnend literair auteur. Elk jaar is een ander genre aan de beurt: poëzie, proza, essay, filmscenario, vertalingen enzovoort. Acht jaar geleden ging het ook om jeugdliteratuur, en kreeg Ted van Lieshout de prijs voor zijn poëzie. Een Gouden Griffel in 1995 voor zijn dichtbundel 'Begin een torentje van niks' bewees dat de toenmalige jury een vooruitziende blik heeft gehad.

Arno Bohlmeijer kreeg het stipendium vooral voor het autobiografische 'Ik moet je iets heel jammers vertellen' (1994) en 'Musje, het meisje van de zon' (1995), het eerste deel van een trilogie over een verlegen, dromerig en kwetsbaar meisje dat altijd aan erge dingen denkt en zoveel meelijdt met het leed van anderen dat het ongezond is voor haarzelf, maar dat uiteindelijk leert om voor zichzelf op te komen. Bohlmeijer schreef eind jaren tachtig al voor volwassenen, maar debuteerde in 1992 voor kinderen met 'Wij zijn heus niet bang'. De jury vond dat deze eersteling geen eendagsvlieg was, dat Bohlmeijer meer beheerst dan alleen realisme en bovendien dat er progressie zit in zijn schrijfstijl, naar een sterkere zintuiglijkheid, intensiteit en stilering.

Voor 'Ik moet je iets heel jammers vertellen' en 'Musje, het meisje van de zon' klopt dat zeker. Het eerste is autobiografisch: de auteur schrijft vanuit de optiek van zijn toen negenjarige dochter Rozemarijn over het auto-ongeluk dat hem en zijn gezin overkwam. Zijn vrouw overleed na twaalf dagen en het zesjarige dochtertje Phebe zweefde dagenlang op het randje van de dood. Bohlmeijer beschrijft het verdriet in vele schakeringen, maar compact, ingehouden, zonder woede, wroeging of bitterheid. Het is geen van-zich-af-schrijven. Hij blijft schrijver, bewust kiezend voor een sobere stijl: de enige manier waarop zo'n intiem-persoonlijk relaas het particuliere van een dagboek kan overstijgen.

Nuchter

'Musje, het meisje van de zon' is opgedragen aan Phebe, die haar vader had gevraagd om te schrijven over 'de zon die eenzaam is'. Het ligt in het verlengde van 'Ik moet je iets heel jammers vertellen'. Het autobiografische is echter naar de achtergrond geschoven, meer aanwezig als inspiratiebron dan als concreet gegeven. Ook dit verhaal is, hoe introvert en kwetsbaar van sfeer ook, nuchter geschreven, maar gestileerder en poëtischer dan 'Ik moet je iets heel jammers vertellen'. Dat gestileerde en poëtische is in het tweede boek over Musje, 'Musje en de wereld' (1996) minder sterk, evenals in het pasverschenen derde deel 'Musje bang, boos, verliefd'. Maar het blijven ontroerende, gave verhalen met geestige dialogen, die door hun zorgvuldige woordkeus sterk expressief zijn.

Het laatste deel komt het meest realistisch over, waarschijnlijk omdat Musje noodgedwongen uit haar eigen beschermde kringetje de grote wereld in stapt, waarin kinderen pesten en schelden. Tegelijkertijd behoudt ze haar zorg voor anderen, zodat kinderen die haar sensitiviteit ontdekken graag haar vriendje willen zijn.

De jury van het Charlotte Köhlerstipendium las zo'n zeventig boeken van vijfenveertig(!) kinderboekenauteurs die de afgelopen jaren debuteerden, en had grote waardering voor nog drie anderen: Karlijn Stoffels met 'Mosje en Reizele' (dat dit jaar de Gouden Zoen kreeg), Willy van Doorselaar met 'Dit is het bos, verdwaal hier maar' (poëzie, 1994) en 'De wraak van de marmerkweker' (1996), en Klaas van Assen met 'Een verhaal voor Hizzel' (1994).

Van Klaas van Assen verscheen onlangs 'De gekte van Mees Santing', een boek waarmee ook hij bewijst een schrijver te zijn met continuïteit. Zijn debuut 'Gwinny' viel in 1991 meteen op door de losse, directe toon en het vleugje anarchisme waarmee een zwaar thema aangeroerd werd (evenals bij Bohlmeijer een verongelukte moeder); 'De gemaskerde wreker' uit 1992, over pesten, was een prachtig, ontroerend en eerlijk verhaal; 'Kletsen met Jona' (1993) viel tegen; over het sprookjesachtige 'Een verhaal voor Hizzel' waren de meningen verdeeld maar het boek haalde wel een nominatie voor de Gouden Uil.

'De gekte van Mees Santing', van nu, is echter de mooiste van allemaal. Mees is net zo'n doordenker als Dani uit 'De gemaskerde wreker', en in feite diept Klaas van Assen ook nu een dader-slachtofferrelatie uit. Maar het gaat nu niet om de relatie tussen pester en gepeste, maar om een vader die aan drank verslaafd is, en zijn slachtoffers, vooral zijn zoon (Mees) en de jongen die hij in benevelde toestand aanrijdt. Hoofdpersoon is Mees, een meester in het vertellen van verhalen die de werkelijkheid verhullen. Dat doet zijn vader ook, verhalen opdissen die de ernst van zijn verslaving reduceren tot 'probleempjes' die 'even' opgelost moeten worden. Zelfs als hij Simon aanrijdt, tracht hij de werkelijkheid nog te ontkennen. Met Simon wil hij niet geconfronteerd worden, en Mees moet rondvertellen dat zijn vader 'op vakantie' is terwijl hij in de cel zit. Mees voelt echter wél met de aangereden jongen mee, en gaat hem in het ziekenhuis opzoeken. Maar zonder te vertellen dat hij de zoon van 'die zuipschuit' is. Schaamte en schuldgevoel bepalen zijn verhalen. Want verhalen vertellen, dat kan hij! Over de ramp van Moddergat in de Waddenzee, in 1883, toen van een vloot vissers er 83 omkwamen in een storm. Het liefst zou hij dat verhaal veranderen, zodat de veertienjarige jongen die erbij omkwam, het had overleefd. Simon vertelt ook, over sterren en planeten. Geleidelijk aan - en dat doet Klaas van Assen heel knap, alsof het zo móet gaan - komen de verschillende verhalen bij elkaar. Dan filosoferen de jongens zomaar over de verhouding tussen noodlot en eigen vrije wil: gebeurd is gebeurd, maar waar kun je iets aan doen, en waaraan niet? En over het veranderen van verhalen: wanneer is dat (wens vervullende) fantasie, en wanneer liegen? Mees komt steeds meer in de knel te zitten, totdat hij zijn woede en verdriet uitleeft in een spannende apotheose waarin hij alle verhullende kletskoek van zich afschudt. Een schitterend verhaal, complex én onafwendbaar, niet alleen over verslaving, eenzaamheid, schuld(gevoel) en verantwoordelijkheid, ouders en kinderen, maar ook over het maken en de werking van verhalen.

mailIcon print |