recensie “Midas Dekkers is zonder twijfel Nederlands meest populaire bioloog-schrijver.” Zo begint de flaptekst van Dekkers' nieuwste boek 'De vergankelijkheid'. Het is een krasse uitspraak - er lopen in Nederland nogal wat populaire bioloog-schrijvers rond, maar krasse uitspraken passen wel bij Midas Dekkers.
Zijn radiocolumns in 'Vroege vogels' en het tv-programma 'Midas' zijn in elk geval bij een groeiend publiek zeer geliefd. Het geheim van zijn succes: tegendraadsheid, overgoten met een humoristisch sausje. Net als heel Nederland ergens van overtuigd is, zaait Midas weer twijfel. Zure regen erg? Helemaal niet, de zure regen treft alleen de naaldbossen en die horen hier toch niet thuis.
Vergenoegd zit de kijker of luisteraar in zijn luie stoel om zich door Dekkers van de wijs te laten brengen. Een kwinkslag hier, een zijsprongetje daar, doordenkertjes en grapjes. Dekkers vuurt in hoog tempo zijn verrassende vondsten op zijn publiek af en gunt het nauwelijks de tijd om ergens over na te denken.
Die aanpak hanteert hij ook in 'De vergankelijkheid'. Lees een passage hardop voor, en je hóórt Midas Dekkers op de radio. Het verschil is alleen dat de lezer niet achterover kan leunen, maar zelf dóór moet lezen. En dan gaat er iets mis. Het spervuur van tegendraadsigheden werkt averechts, de lezer moet zelf het ene zijweggetje uit om het volgende weer in te lopen en raakt voortdurend het spoor bijster.
Soms zijn het kleine, losse flodders, grapjes die hij kennelijk niet voor zich kon houden. “De tand des tijds bestaat niet eens”, schrijft hij ergens. “De tijd heeft geen tanden. De tijd doet niets, behalve verstrijken. Wat knaagt dat zijn gewoon de muizen en de wormen en de schimmels en de gewetens.” Ja hoor Midas, leuk gevonden: gewetens knagen ook.
Het is een woordspeling die het op de radio vast goed doet, maar in een boek stoort het. Elders, als hij vertelt dat wijn niets anders is dan bedorven druivensap, dat gisten het sap hebben opgedronken en de fles als dank hebben bijgepist met alcohol, maakt hij ook zo'n grapje dat vooral het betoog onderbreekt: “Hoe oud de wijn is, staat op het etiket, hoe lekker je dat moet vinden op het prijskaartje.”
Op andere plaatsen duurt de omzwerving langer, pagina's soms. Dan is het om wanhopig van te worden. Midas, waar wil je in vredesnaam heen?
Dat neemt niet weg dat er in 'De vergankelijkheid' een hoop aardige en spitsvondige ideeën staan. Het boek gaat over de dood en de verrotting. Daar houden we niet van, jong en fris moet alles wezen. Tenminste, dat beweren we, maar in de praktijk gaan we daar heel vreemd mee om.
Voor vers vlees gaan we naar de slager, schrijft Dekkers. Maar dat vlees is helemaal niet vers. Roofdieren, die eten vers vlees; hun maal is nog warm van de net overleden prooi. Als ons vlees zo vers zou zijn, verstijfde het in onze boodschappentas. Ons vlees is al een beetje aan het rotten, maar dat moet ook: wij zijn aasdieren, ongerot vlees kunnen we niet verteren.
Maar te rot is ook weer niet goed, dus bewaren we het vlees in de koelkast. Dat is ook weer gek, grinnikt Dekkers. Door het in de koelkast te leggen, beschermen we het vlees tegen bacteriën. Maar zo'n stuk vlees is dood, dus eigenlijk beschermen we de dood tegen het leven.
Met onze aversie tegen de verrotting en de vergankelijkheid ontnemen we het leven zijn diepgang. Niets is zo saai, zo doods als een gerestaureerd gebouw of een gefacelifte filmdiva, vindt Midas. Als je niet kunt zien dat een pand een geschiedenis heeft of een oud mannetje geleefd heeft, dan zit er ook geen leven meer in.
En zo neemt 'De vergankelijkheid' de lezer mee op een dooltocht langs ruïnes, slachthuizen en mortuaria. Het is één groot griezel- en rariteitenkabinet, en tegelijk een aubade aan het leven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.