*

 

Basha Faber schildert prachtig portret van Sophie

JOOP VAN DEN BERG − 30/01/98, 00:00

recensie In de Indisch-Nederlandse letterkunde werd in de jaren zeventig de 'terugkeer-roman' een gevestigd genre. Het waren de romans en reisboeken van schrijvers met een onbezorgde koloniale jeugd, wreed verstoord door de Japanse bezetting en de Indonesische revolutie, en die later teruggingen om na te gaan of zij echt een kind van twee vaderlanden waren geworden.

Hella Haasse, Aya Zikken en Margaretha Ferguson hebben op dit gebied hun sporen verdiend. Wij zijn nu inmiddels zo'n twintig jaar verder en de terugkeer-roman van nu wordt geschreven door een andere generatie; de kinderen van hen “die uit het paradijs werden getild”; zij die er geen directe band meer mee hebben, maar die door huidskleur en opvoeding zich toch anders voelen dan de doorsnee Nederlander.

'Wisselkind' van Basha Faber lijkt op het eerste gezicht zo'n roman te zullen worden. De hoofdfiguur is een oude excentrieke vrouw met een sterk bewogen jeugd, kind van een Knil-officier en de dochter van een Atjehse vorst, in die dagen rond 1900 de vijand dus. De vrouw, in de negentig, woont op een buiten onder de rook van Utrecht, omgeven, zegt zij zelf, “door plat land, zonder bergen en watervallen, zonder zon, zonder. . .”

Zij biedt haar enige zoon, een veertiger, in gezelschap van haar halfzusje (niet veel ouder dan de zoon) een reisje naar Indonesië aan om in de provincie Atjeh de 50-jarige onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië te vieren. Als onbevangen lezer denk je aanvankelijk dat hun die kans wordt geboden, opdat zijzelf kunnen constateren in hoeverre de wrede koloniale oorlog die Nederland destijds tegen de Atjehse vrijheidsstrijders voerde, bepalend is geweest voor het vreemde mensonvriendelijke gedrag van de hoofdfiguur, de vrouw Sophie.

Met dit snoepreisje, schijnbaar zo aardig aangeboden, blijkt later van alles mis te zijn. Zo wordt de roman gaandeweg steeds meer een uiterst spannende avonturenroman, waarbij je van de ene verbazing in de andere valt, vooral omdat de hoofd- en bijfiguren vaak zo'n grotesk, Márquez-achtig gedrag vertonen. Vreemd is dat niet als je weet dat de grondlegger van de beschreven dynastie, de Knil-officier van gezondheid, Rypkema, door vrijwel iedereen 'briljant, bizar, ongebreideld en onuitstaanbaar' wordt genoemd. Hij is een voorbeeld van de stelling, schrijft Faber, dat “zulke onmogelijke mensen vroeger naar Indië gingen. Daar loosde Nederland zijn heftige naturen”.

Zijn dochter Sophie, kind van de Indonesische vrouw, die na het verraad van krijgsheer Tuku Umar haar man van de ene dag op de andere verlaat en zich verschuilt in het achterland, is mogelijk nog tegendraadser. Van het door haar doorgezette huwelijk maakt zij niets en haar zoon die na vijfentwintig jaar wordt geboren, omschrijft het als een 'rampendriehoek', en concludeert: “Ouders en knderen moeten elkaar de toegang worden ontzegd.”

Maar het boek gaat veel eerder dan deze persoonlijke visie op het beschreven huwelijk. Het laat namelijk zien dat de onmenselijke oorlog van het Knil tegen de Atjehse verzetsbeweging zoveel diepe wonden heeft geslagen dat nog een eeuw erna mensen de littekens kunnen tonen, en dat het huidige verzet tegen de regering in Jakarta vaak geworteld lijkt in de wrok tegen iedere vorm van gezag. De ontknoping van het avontuur heeft dan ook sterk te maken met de huidige verzetsbewegingen op Atjeh.

Hoewel de verhaallijn zo nu en dan wel erg breed uitwaaiert, weet de schrijfster de geschiedenis goed in de hand te houden, en wil je eigenlijk alleen maar snel doorlezen om te weten hoe het allemaal afloopt.

'Wisselkind' is niet alleen spannend maar ook goed geschreven. Zo zet de schrijfster in drie zinnen een Indonesische zonsondergang treffend neer: “De schemering tintte de rijstvelden en de bergen in de verte met een loom, bronskleurig licht. Alles leek te verstillen onder de aankondiging van de nacht. Waterbuffels stonden roerloos, vrouwen wasten met trage gebaren kleren in de beek.” Maar de grootste verdienste van Basha Faber is toch het prachtige portret van de oude vrouw Sophie, dit Indische kind van de historische rekening; fel, meedogenloos met een stem 'die krullen kraste in lucht', maar zelf o zo kwetsbaar.

In een verantwoording aan het eind van het boek zegt de schrijfster dat de door haar geraadpleegde historische bronnen hebben aangezet tot “sterk uiteenlopende gevoelens, van vereenzelviging en instemming tot schaamte, verontwaardiging en tegenspraak”. Ook die zijn in de roman perfect verwoord.

mailIcon print |